Stuifzand


Na de laatste ijstijd is het klimaat steeds milder geworden en ontwikkelden zich op de Hondsrug uitgestrekte loofbossen. Vegetatie bedekte het landschap en verhinderde het wegstuiven van het zand. Het ontstane dekzandreliëf werd geconserveerd.

Vanuit het Hunzedal begon de vorming van veen dat door het steeds vochtiger wordende klimaat overging van laagveenvorming in hoogveenvorming. Het hoogveen breidde zich sterk uit en leidde tot het ontstaan van het circa 160.000 hectare grote Bourtangerveen.

De lemige en daardoor relatief vruchtbare zandgronden op de Hondsrug veroorzaakten een uitbundige boomgroei. Waarschijnlijk hebben onze voorouders aan de vegetatie de meest vruchtbare plaatsen in het landschap kunnen aflezen en kozen deze plekken uit voor bewoning. Reeds in de prehistorie was de Hondsrug een favoriete woonplaats voor de mens.

Bossen werden gekapt en in de loop van de tijd werd landbouw bedreven via het zogenaamde potstalsysteem. Voor strooisel in de stallen gebruikte men eerst bosstrooisel en later veel heideplaggen. De mest werd opgepot in de stallen en schaapskooien tot het voorjaar, waarna het op de akkers van de es werd verstrooid. Op de essen is zodoende door de eeuwen heen veel zandhoudende mest opgebracht, waardoor dikke eerdgronden zijn ontstaan.

Dit zijn bodemtypen met een homogeen donkergekleurde bovenlaag, ook wel ‘plaggendek' genoemd, van meer dan 50 cm dik. Deze zogenaamde enkeerdgronden vinden we onder andere op de Drouwener Oosteresch.

Enkeerdgrond

Door de intensivering van de landbouw, met name die van de schapenteelt - zo had Drouwen in de tweede helft van de negentiende eeuw 1300 schapen - werd de heide rondom de essen frequenter afgeplagd. De beschermende vegetatie werd steeds vaker van het dekzand verwijderd. Bovendien liep over de Hondsrug een belangrijke noord-zuid verkeersader.

Als voorloper van de A34 bevond zich hier een zandweg, in de vorm van karrensporen, die intensief bereden werd door karren en koetsen en die vanaf de zeventiende eeuw steeds belangrijker begon te worden.

oudewegenjpg

De bovengrond werd steeds verder kapotgereden.

Periodiek kon de bovengrond gortdroog worden, doordat het regenwater makkelijk van de hooggelegen Hondsrug afgevoerd kon worden en het door het, als gevolg van de invloed van de zoutpijler, ontbreken van de keileemlaag hier makkelijk kon inzijgen. Al deze factoren zorgden ervoor dat bijvoorbeeld in een droog voorjaar het overal losliggende zand vanuit de meest getergde plaatsen door de wind kon worden opgenomen en hiermee begon een proces dat plotseling niet meer te stuiten was.

De uitgestoven kuilen vergrootten zich en het weggeblazen zand bedekte de omgeving. Doordat de ondergestoven vegetatie verstikte, kon de zandverstuiving zich steeds verder uitbreiden. Het Drouwenerzand breidde zich in de achttiende en negentiende eeuw flink uit en groeide uit tot een honderden hectares groot stuifzandgebied. Recent geomorfologisch onderzoek heeft aannemelijk gemaakt dat uitbreiding van een stuifzandgebied niet alleen met de wind mee, maar juist ook tegen de wind in plaatsvindt.

Dit verklaart ook de uitbreiding van het stuifzandgebied westelijk van de intensief gebruikte karrensporen en de complete lamlegging van het stuifzand nadat in het westelijke gedeelte bos werd aangeplant. Aan de oostzijde van de Hondsrug werd ten tijde van de meest hevige uitbreiding een metersdik pakket stuifzand over het reeds eerder gevormde hoogveen afgezet.

Het was dus niet toevallig dat in de oostelijke rand van het Drouwenerzand omstreeks 1895 onder het stuifzand veen werd aangetroffen. Vele Drouwenaren wonnen, vooral in de oorlogsjaren, hier hun turf om 's winters de kachel mee te stoken. Omdat brandstof erg schaars was, had iedereen in die tijd belang bij veen. Hierdoor werd de grond in kleine perceeltjes verdeeld en ontstond aan de oostkant van het Drouwenerzand een zeer versnipperde eigendomssituatie. De metersdiepe kuilen die zijn gegraven om de turf onder het stuifzand weg te halen, zijn nog steeds goed herkenbaar.

Overblijfselen turfputten Drouwenerzand - foto Gerrie Koopman

Bodemkundig wordt stuifzand gekenmerkt als een fijngelaagde grauwkleurige afzetting. Deze kleur is ontstaan door het mengen van bodemlagen bij de verwaaiing. Op sommige plaatsen werd het dekzand tot op de restanten van de keileem weggeblazen waardoor in een uitgestoven vlakte een mengsel van grote en kleine stenen aan de oppervlakte kwam te liggen.

Op andere plaatsen werd het zand door de vegetatie gevangen en vastgelegd, waardoor juist hoge duinen konden ontstaan. Dit grillige stuifzandreliëf is overal, ook in het beboste gedeelte van het natuurreservaat Drouwenerzand, waar te nemen.

Gelaagd stuifzand op oude podzol - foto Gerrie Koopman