Vorming van een dekzandrug


Tijdens de voorlaatste ijstijd, de Saale-ijstijd (240.000 - 120.000 jaar geleden), werd een groot deel van Nederland bedekt met landijs. Dit landijs kwam uit het hoge noorden en bracht stenen, klei en ander materiaal mee uit Scandinavië en de Baltische staten. Dit materiaal vinden we nu in onze bodem terug en heet keileem.

Keileem

Dit keileem komt ondiep in een groot deel van de Drentse bodem voor, evenals in een deel van aangrenzend Friesland. Het materiaal ligt iets hoger dan de verdere omgeving. We noemen dit het Drents Plateau. Aan de randen ligt lager gelegen veen. In feite lijkt het plateau wel op een omgekeerd soepbord. Water stroomt van het soepbord af naar de randen via de diverse beken die het water naar zee voeren.

Landijs

Gedurende de Saale-ijstijd heeft een ijslob, die vanuit het noordoosten kwam, een lage rug opgestuwd op de locatie waarop later de dorpen Orvelte en Westerbork gebouwd werden.

Aan de noordwestzijde van de rug ligt het beekdal van de Westerborkerstroom. De beek ontspringt in het natuurgebied Oosterholten ten oosten van Orvelte. De beek is weliswaar gekanaliseerd (rechtgetrokken), maar het beekdal waardoor de beek stroomt is nog goed herkenbaar, vooral doordat het dal door houtwallen omzoomd is.

Beekdal na laatste ijstijdBeekdal na laatste ijstijd (jpg, 595 kB)

Datzelfde geldt voor het kleinere beekdal van de Ruimsloot, een zijbeek van de Westerborkerstroom. Deze beek ligt aan de zuidzijde van de rug. De beekdalen hebben aan het eind van het Saalien, de voorlaatste ijstijd, het keileemplateau als het ware al ingesneden. Er kwam in die tijd veel smeltwater vrij dat door de beken werd afgevoerd.

Dit proces van beekdalvorming is in de laatste ijstijd, het Weichselien, nog doorgegaan. In het Weichselien was er geen landijs aanwezig in Nederland; wel was het ijzig koud en waaide het stevig. Enorme hoeveelheden zand kwamen in beweging.

Er is in die tijd veel dekzand in Drenthe afgezet. Ook op de toch al hoger gelegen keileemrug van Westerbork en Orvelte kwam een laag dekzand terecht. Op de flanken zijn aaneengeschakelde paraboolduinen ontstaan. De opening van de U-vorm wijst dan in de richting van de wind. Deze was meestal noordwest tot zuidwest.

Dekzand

Maar er gebeurde meer. In deze periode van het smelten van het landijs – en mogelijk ook door de afvoer van veenwater uit de tijd dat er veel hoogveen was – ontstond een erosiedal ten westen van Orvelte. In de regio rond Orvelte vinden we zogenoemde pingoruïnes, deze zijn ontstaan in de Weichselijstijd.

Een pingo is een euvel die ontstaan is doordat een ondergrondse ijslens de bodem heeft opgedrukt. Zo'n heuvel kan wel zestig meter hoog worden en een diameter hebben van driehonderd meter. Als het ijs smelt schuift de grond naar de buitenkant en vormt een wal om een plas water. Dat geheel noemen we een pingoruïne, die als je door je oogharen heen kijkt de vorm van een krater heeft.

Stuifzand

Door overbegrazing met schapen in de periode vanaf Middeleeuwen tot ver in de 19e eeuw raakte de plantengroei dermate beschadigd dat het zand onder de zode bloot kwam te liggen. Hierdoor kreeg de wind weer vat op het zand en ontstonden forse zandverstuivingen.

Er zijn op de dekzandrug twee kleine stuifzandgebiedjes uit deze roerige periode overgebleven: één ten westen van Westerbork en één tussen Orvelte en Westerbork, het Reijntjesveld.

Reijntjesveld Orvelte

Op de hogere delen van de dekzandrug hebben zich podzolbodems ontwikkeld. Onder oude wallen en bos liggen stukjes met karakteristieke bodems en reliëf. Hier kan informatie in de bodem liggen opgeslagen over landschaps- en vegetatieontwikkeling.