BOX 3

Van veenmos tot mosveen; een hoogveenprofiel

Tekst: Gerrie Koopman (uit Noorderbreedte 2001-4)

Turf is eeuwenlang de belangrijkste bron van energie voor ons land geweest. Vier eeuwen geleden begon men in Friesland, Groningen en Drenthe gigantische massa's hoogveen, en in mindere mate laagveen, af te graven ten behoeve van de energievoorziening van Nederland. Soms blijft een deel van de oorspronkelijke veenpakketten zichtbaar. Dat is het geval op de hieronder staande foto.

Zwartveen en bolster

Het afgebeelde profiel toont een hoogveenpakket van ruim twee meter dik, boven op dekzand dat helemaal onderaan zichtbaar is. Door het waterverlies na drooglegging klinkt een veenpakket enorm in. Bovendien gaan de plantenresten (alsnog) verteren. Daarom is het niet onwaarschijnlijk dat de oorspronkelijke dikte twee keer zo groot is geweest.

Naast veenmossen zijn ook andere plantenresten te herkennen in een hoogveenprofiel. Zo kunnen we in een hoogveenturfje takjes tegenkomen van dop-, kraai- en/of lavendelheide. Hoogveen is op het oog vooral goed te herkennen aan de taaie bladresten van éénarig wollegras die overal als flarden uit het profiel hangen. Omdat ze veel lijken op bosjes haar, werden deze restanten van wollegras door verveners destijds ook wel 'lokken' genoemd.

Het totale veenpakket op de foto bestaat grofweg uit drie delen. Opvallend is de overgang op ongeveer 75 cm onder de bovenkant. Het bovenste veen heeft een lichter bruine kleur en is losser van structuur dan het veen daaronder. Deze scheiding heeft te maken met een klimaatverandering rond 850 voor Christus.

Het donkerbruine gedeelte wordt 'oud veenmosveen' genoemd en is gevormd in een relatief warmer en droger klimaat en door andere veenmossoorten dan de bovenste veenlaag. Het is meer verteerd en daarom donkerder van kleur en compacter van samenstelling.

Dit oude veenmosveen (of zwartveen) had als turf een hogere verbrandingswaarde dan het bovenliggende jonge veenmosveen (of bolster). Het jonge veenmosveen werd bij de vervening meestal opzij gezet en na het afgraven van het oude veenmosveen weer teruggestort.

Tijdens droge perioden gedurende de hoogveenvorming, maar ook nadat het veenpakket droog werd gelegd, zijn veel plantenresten in humus omgezet. De stroperige humus kon met het regenwater door het veenpakket zakken en bleef direct boven het dekzand steken. Daardoor is de onderste zone in het veenpakket, ter hoogte van de onderste helft van de schepsteel, zwart gekleurd.

De schoensmeerachtige humussubstantie die zich hier plaatselijk opgehoopt heeft, wordt 'gliede' genoemd. Ook de bovenkant van het onderliggende dekzand is verkleurd door humusinspoeling. Waarschijnlijk is dit deels al gebeurd door podzolvorming (zie Noorderbreedte 2001-3) vóórdat de veenvorming omstreeks vierduizend jaar geleden hier is begonnen.

Weer levend hoogveen

In de directe omgeving van het gefotografeerde hoogveenprofiel heeft Staatsbosbeheer al in de jaren zeventig dammen van het compacte zwartveen opgeworpen. Er zijn bassins op verschillende niveaus gecreëerd waarin het regenwater kan worden opgevangen en vastgehouden.

In dit voedselarme sawalandschap voelen de veenmossen zich weer thuis en kan de hoogveenvorming door deze en andere maatregelen na enkele eeuwen stilstand weer voorzichtig op gang komen.

Foto Paul Paris