Samenvatting en Q&A TLGD


De provincie Drenthe wil weer ruimte maken voor vergunningverlening en tegelijk werken aan een sterk en toekomstbestendig landelijk gebied. In het programma TLGD staat hoe de provincie dat wil doen, samen met inwoners, boeren, terreinbeheerders, gemeenten, waterschappen en andere partners. Het programma richt zich met name op de opgaven voor stikstof, natuur en water, zodat Drenthe ook in de toekomst een goede plek blijft om te wonen, werken en leven.

Sinds de vorige versie van het TLGD (ontwerp) is, op basis van 262 reacties (zienswijzen), gesprekken tijdens inloopbijeenkomsten en gesprekken met maatschappelijke partners, een aantal onderdelen verder uitgewerkt. De stikstofaanpak is concreter gemaakt, onder meer met een norm per fosfaatrecht voor de melkveehouderij en een duidelijker gebiedsgerichte aanpak rond Natura 2000-gebieden. De rol van water en bodem bij keuzes in het landelijk gebied is verder uitgewerkt, er is meer aandacht voor landschap en de sociaaleconomische impact op dorpen, ondernemers en gemeenschappen heeft een meer prominente positie gekregen. Daarnaast is de realisatiestrategie verder uitgewerkt, met meer duidelijkheid over planning, uitvoering en gebiedsprocessen.

Pas na vaststelling door Provinciale Staten (naar verwachting zomer 2026) kunnen we echt van start met de uitvoering van het programma Toekomstgericht Landelijk Gebied Drenthe.

Waarom dit plan?

De provincie Drenthe kan al lange tijd geen vergunningen meer verlenen voor ontwikkelingen die gepaard gaan met een toename van stikstofuitstoot. Dit schaadt agrariërs, maar ook de bredere Drentse economie en woningbouw. Agrariërs kunnen ook bijna geen maatregelen nemen om stikstof te verminderen omdat daar meestal ook een vergunning voor nodig is. De natuur schiet weinig op met deze impasse. Het Drentse landschap, met haar kenmerkende essen, landbouwgronden, bossen, heide, veengebieden en beekdalen, blijft onder druk staan. Zo lijden natuurgebieden onder verdroging, stikstofdepositie en versnippering. Klimaatverandering vergroot deze druk: hogere temperaturen, extremere neerslag en langere periodes van droogte verstoren natuurlijke processen en maken natuurherstel complexer. Met dit programma geven we aan hoe we aan deze opgaven gaan werken, de Drentse natuur herstellen en vergunningverlening weer mogelijk maken. Provincie Drenthe wil hiermee een helder toekomstperspectief bieden voor de boeren in Drenthe, voor de ondernemers en voor de medeoverheden.

Er zijn nog veel onduidelijkheden en er niet al het geld dat nodig is, is al beschikbaar. Maar er worden wel grote en belangrijke keuzes van ons gevraagd. PAS-melders hebben nog steeds geen zekerheid en initiatieven die voor de Drentse ontwikkeling belangrijk zijn komen niet van de grond. Kortom: hoe voldoen we aan de doelen voor natuur en water en bieden we tegelijk voldoende ruimte en perspectief om te (blijven) ondernemen.

Tegelijk biedt het nationale coalitieakkoord wel aanknopingspunten en ondersteuning. We zien dat het kabinet veel geld beschikbaar maakt voor het werken aan de stikstofproblematiek en volgen deze ontwikkelingen dan ook op de voet.

Een groot deel van de opgaven landt in de agrarische sector en dat zal soms leiden tot pijnlijke keuzes. De provincie stuurt daarom op een koers waarbij de sector in deze transitie zoveel mogelijk wordt ondersteund door bijvoorbeeld het stellen van duidelijke kaders, door te compenseren als dat nodig is en door het stimuleren van alternatieve ontwikkelpaden die bijdragen aan een krachtige en gezonde sector.

Het programma in hoofdlijnen

In het programma Toekomstgericht Landelijk Gebied Drenthe geeft de provincie aan hoe zij tot en met 2030 integraal werkt aan de opgaven. Hierna gaan we op hoofdlijnen per onderdeel daar verder op in.

Stikstof

Om ontwikkeling in Drenthe weer mogelijk te maken moet de uitstoot van stikstof naar beneden. Deze vermindering van emissies levert een bijdrage aan de wettelijke opgave voor stikstofreductie en herstel van de natuur. In het programma TLGD omschrijft de provincie Drenthe hoe ze aan stikstofreductie wil werken. In hoofdlijnen bestaat dit uit drie stappen:

  1. een aanpak gericht op de melkveehouderij waarmee 30% emissiereductie van stikstof wordt behaald;
  2. een aanpak waarin we in de meest kwetsbare gebieden aanvullend nog 30% extra reductie van de emissies willen realiseren (13% van de Drentse stikstof emissies);
  3. maatwerk voor gebieden waar extra inzet nodig is.

Generieke vermindering van stikstofemissie (stap 1)

Om bij te dragen aan de wettelijke opgave voor stikstofreductie moet Drenthe als in 2035 43% minder ammoniak uitstoten dan in 2019. De provincie vraagt aan alle melkveehouders in Drenthe om gezamenlijk als sector een reductie van 30% te realiseren in 2035. De reden hiervoor is melkveehouderij in de landbouw het grootste aandeel kan leveren in vermindering van uitstoot. Melkveehouders krijgen de ruimte om hier zelf invulling aan te geven via doelsturing. Bij deze aanpak maken de boeren onder meer gebruik van Kritische Prestatie Indicatoren. Dit betekent dat de boer zelf realistische en haalbare doelen krijgt voor het verminderen van stikstof en doelen voor water en klimaat en zelf de regie heeft over hoe deze doelen op het bedrijf worden gerealiseerd. De ervaring die al is opgedaan in Drenthe in het programma Duurzaam Boeren Drenthe benutten we hiervoor.

De provincie werkt voor de melkveehouderij toe naar een norm per fosfaatrecht. Dat betekent dat wordt gekeken naar de hoeveelheid ammoniak die een bedrijf uitstoot, in verhouding tot het aantal fosfaatrechten dat bij het bedrijf hoort. Fosfaatrechten bepalen hoeveel melk een melkveebedrijf mag produceren – en dit heeft een sterke relatie met de hoeveelheid ammoniak. De provincie wil deze rechten gebruiken als een vaste maat om de uitstoot van ammoniak tussen bedrijven te vergelijken. Je kunt het vergelijken met een energielabel voor een huis. Bedrijven die nu al minder uitstoten, hebben in die vergelijking als het ware al een beter label en hoeven daardoor minder grote stappen te zetten. De provincie kiest hiervoor omdat bedrijven zo op een beter vergelijkbare en zo eerlijk mogelijke manier kunnen worden beoordeeld. Zo stuurt de provincie op minder uitstoot, zonder voor ieder bedrijf precies dezelfde maatregel voor te schrijven. De provincie werkt de norm per fosfaatrecht juridisch uit in de omgevingsverordening. In 2030 is er een tussendoel om te beoordelen of de uitstoot voldoende daalt.

Voor de niet-grondgebonden veehouderij (met name varkens en kippen) wil de provincie  het principe van de best beschikbare technieken (BBT) gaan hanteren. Dat betekent dat deze sector verplicht wordt om de best beschikbare techniek toe te passen om emissie te verlagen. Dan gaat het bijvoorbeeld om luchtwassers in stallen.

Voor de akkerbouw/ teelten in de volle grond, hebben wij op dit moment geen maatregelen in voorbereiding, gezien de beperkte mogelijkheden om deze emissies te reduceren.

Het Rijk werkt verder aan emissiereductie van andere sectoren zoals mobiliteit en industrie (beide 50% reductie).

De provincie zal sturen op concrete ondersteuning voor ondernemers, bijvoorbeeld door middel van subsidies, vanuit provincie en Rijk.

Gebiedsgerichte vermindering van stikstofuitstoot (stap 2)

De provincie wil de resterende reductie van de Drentse ammoniakemissies realiseren in de gebiedsgerichte aanpak. Daarbij verschilt de aanvullende opgave voor ondernemers binnen een kilometer van een Natura 2000 gebied:

  • Bargerveen en Witterveld: geen gebiedsgerichte aanpak
  • Drentsche Aa: 15% extra boven op het generieke doel.
  • overige 9 Natura 2000-gebieden: 30% extra bovenop het generieke doel.

Voor de betrokken bedrijven in de gebieden met een extra gebiedsopgave, is dit een forse opgave. Als een mogelijk voorbeeld geldt het gebiedsaanbod Veenhuizen waar een aantal boeren de ambitie heeft om met hulp van de provincie in 2035 gezamenlijk in totaal 60% minder stikstof uit te stoten. De uitwerking van de gebiedsgerichte opgave voor stikstof wil de provincie samen met ondernemers in de gebieden bepalen. Bij voorkeur in gebiedsprocessen. Dan gaat het om de precieze maatregelen in het gebied en om de ondersteuning die de provincie levert, bijvoorbeeld door middel van subsidieverlening.

De provincie werkt gebiedsgericht waarbij de aanpak zich richt op om vanuit de samenwerking te komen tot een aanpak voor dat gebied. De provincie wil de betrokken agrariërs in de gebieden ondersteunen om tot een gezamenlijk aanbod te komen, zoals dat rond Veenhuizen ook is gebeurd. Per gebied kijkt de provincie met de betrokkenen welke maatregelen nodig zijn om natuur en water te beschermen, en waar ruimte is voor ontwikkeling en ondernemerschap. De gebiedsgerichte opgave krijgt als vertrekpunt een opgave per gebied. Maar als stok achter de deur zal deze norm ook worden doorvertaald naar een opgave per bedrijf. De uitdrukkelijke inzet is om per gebied te bekijken wat er in gezamenlijkheid kan en hierin samen oplossingen te zoeken.

Maatwerk (stap 3)

De generieke en gebiedsgerichte aanpak, moeten samen leiden tot vermindering van bijna 43% van stikstofemissies in Drenthe in 2035. Ondanks dit behoorlijk hoge percentage, zal het nog niet per se genoeg zijn om op korte termijn weer vergunningen te kunnen verlenen. Dat heeft te maken met eerdere gerechtelijke uitspraken en de verplichting tot het nemen van voldoende natuurherstellende maatregelen. Dit betreft in het bijzonder het zogeheten juridische principe van ‘additionaliteit.’ Dit wil zeggen dat in Drenthe eerst voldoende maatregelen genomen moeten worden voor het herstellen van natuur in en om Natura 2000-gebieden, voordat er weer vergunningen mogen worden verleend. Het gaat dan om natuurherstellende maatregelen in het gebied, zoals maatregelen om stikstofuitstoot te verminderen en om de hydrologische situatie in een gebied te verbeteren.

Voor de natuurbeheerders ligt er een belangrijke taak om de maatregelen in de natuurgebieden te nemen die nodig zijn voor natuurherstel. Natuurbeheerders onderschrijven dat zij de noodzakelijke maatregelen gaan nemen om de kwaliteit van de habitats op orde te brengen en willen zich hieraan ook verbinden. Daarvoor moeten wel de juiste randvoorwaarden door de overheid worden gecreëerd zoals voldoende middelen en vermindering van drukfactoren zoals stikstof.

Concreet betekent dit maatwerk: de provincie onderzoekt per Natura 2000-gebied wat er nog aan extra maatregelen nodig is en hoe dat gerealiseerd zou kunnen worden. De provincie gaat daarvoor met betrokkenen in het gebied uit alle sectoren in gesprek. Naast de uitstoot van stikstof gaat het om het tegengaan van bijvoorbeeld verdroging of andere factoren waar natuur nadelige effecten van ondervindt (drukfactoren). De provincie kijkt hierbij naar alle bronnen en factoren in een gebied, van landbouw tot industrie en mobiliteit. Voor de landbouw is de ruimte om nog meer te doen dan met de hiervoor al gezette stappen (de generieke aanpak en de gebiedsgerichte opgave) vermoedelijk overigens klein. Het zal in dit stadium dus vooral om de eventuele bijdrage van andere sectoren en om mogelijkheden van agrariërs buiten de gebieden met een gebiedsgerichte opgave gaan.

Omdat deze oplossing maatwerk betreft en tijd in beslag neemt, duurt het langer voordat er weer vergunningen verleend kunnen worden. De provincie verwacht dat vergunningverlening met deze aanpak op zijn vroegst medio 2027 weer (gedeeltelijk) mogelijk is. Dit zal niet in een keer in heel Drenthe zijn, maar stapsgewijs per vergunning of groep van vergunningen (bij gebiedsaanbod of bredere maatregel).

Water en natuur

Voor water en natuur liggen er vraagstukken vanuit de Europese Kaderrichtlijn Water en Europese Vogel- en Habitatrichtlijn en Europese Natuurherstelverordening.

De doelen voor water moeten in 2027 al zijn gehaald. Daarvoor moet nog veel gebeuren. Onder andere het op orde brengen van de waterkwaliteit op het gebied van ecologie en vervuiling en de beschikbaarheid van water voor Natura 2000-gebieden.

Voor natuur richt de aanpak zich op het versterken van Natura 2000-gebieden, herstel van landschap en meer biodiversiteit in het buitengebied, vooral om de natuurgebieden heen. De provincie werkt daarbij vanuit de kenmerken van het Drentse landschap, met aandacht voor landschapselementen, cultuurhistorie en natuur, die passen bij een gebied.

Daarbij vormt extra inzet op het beheer van natuur en landschap door boeren (agrarisch natuurbeheer) een belangrijk speerpunt. Van belang is verder dat natuurorganisaties in landelijk verband gezamenlijk de bouwsteen Natuur met de gezamenlijke provincies hebben onderschreven waarin zij garanderen de maatregelen te nemen die nodig zijn om de natuur te versterken tot het niveau dat nodig is.

Water en bodem als vertrekpunt voor keuzes in het landelijk gebied is ook nader toegelicht. Zo wil de provincie beter aansluiten bij wat op een plek past en nodig is voor natuur, landbouw en waterbeheer. Dat kan betekenen dat op sommige plekken, ander gebruik of andere vormen van landbouw beter passen dan nu. In de gebiedsprocessen wil de provincie dit samen met alle betrokken partijen uitwerken.

Een deel van de landbouwgrond in Drenthe wordt niet of minder aantrekkelijk voor het verbouwen van gewassen en/ of het houden van vee. Minder intensieve landbouw, agrarisch natuurbeheer of een natuurbestemming zou dan passend kunnen zijn. Per gebied en samen met grondeigenaren wordt een oplossing gezocht. Dit gebeurt zoals dat nu ook al gaat op basis van vrijwilligheid.

Aandachtsgebieden

In een aantal gebieden in de provincie is er een combinatie van opgaven. Dat wil zeggen dat er in deze gebieden zowel vanuit water, als vanuit natuur en stikstof vraagstukken liggen. Deze gebieden noemt de provincie in het programma ‘hotspots’. Het zijn ook deze gebieden die een belangrijke bijdrage kunnen leveren om vergunningverlening weer mogelijk te maken en doelen voor water en natuur te behalen. Het gaat om deze vijf gebieden:

  • Drentsche Aa-gebied,
  • Elperstroomgebied,
  • Zure Venen (tussen Uffelte en Ruinen),
  • Vledder Aa en Wapserveensche Aa,
  • Oude Diep.

In de komende jaren gaan we hier gebiedsgericht aan de slag in zogeheten gebiedsprocessen. Van onderop. Dat betekent dat de provincie samen met ondernemers, organisaties en inwoners in deze gebieden een plan maakt voor maatregelen op het gebied van stikstof, natuur, water en klimaat. De kaartjes in het programma betreffen zoekgebieden. In deze gebieden gaan de provincie samen met het gebied zoeken naar oplossingen.

Naast deze vijf gebieden zijn er twee gebieden met een specifieke opgave. Dat betreft het Noordbargeres in Zuidoost Drenthe en het gebied Grote Masloot in Noordwest Drenthe. In Noordbargeres gaat het om grondwaterwinning en in Grote Masloot om het verbeteren van de kavelstructuur in samenhang met het herstel van het beekdal.

Per gebied wordt een plan van aanpak gemaakt. Elk gebied is anders en dat vraagt om maatwerk. Ook zal de provincie niet in elk gebied meteen starten. De provincie gaat ervan uit dat een deel van deze processen tot 2035 lopen.

De provincie begrijpt dat de veranderingen in het landelijk gebied voor inwoners en ondernemers vragen en zorgen oproepen. Daarom wordt per gebied niet alleen gekeken naar natuur, water en stikstof, maar ook naar leefbaarheid, werkgelegenheid en de toekomst van dorpen en gemeenschappen. In het programma is ook een claim opgenomen voor het kunnen versterken van de leefbaarheid van gemeenschappen.

Samenwerking met boeren

Boeren zorgen sinds jaar en dag voor een groot deel van ons Drentse landschap. De provincie waardeert dit en ziet kansen om dit te versterken. Een gezond en eerlijk verdienmodel is essentieel voor de toekomst van de agrarische bedrijven. Boeren moeten ook als beheerder van natuur kunnen optreden. De provincie wil ook de landbouwstructuur versterken. Door in de gebieden de verkavelingsstructuur voor betrokken boeren te verbeteren. Dat betekent dat grond (kavels) dichter bij de boerderij komen te liggen. Dat is gunstig voor de bedrijfsvoering van de betrokken ondernemers.

De provincie is blij dat boeren zelf ook meer willen samenwerken, omdat dit nodig is om alle doelen te halen. Door samen met boeren te kijken naar hun bedrijf en grond in een gebied en de vraagstukken te bespreken voor natuur, water en stikstof wordt duidelijk hoe verplaatsingen, kavelruil, herinrichtingen en landbouwstructuurverbetering het beste plaats kunnen vinden. De provincie wil boeren daarmee perspectief bieden om te ondernemen en tegelijk samen duidelijke afspraken maken over wat nodig is voor natuur, water en stikstof.

Op meerdere plekken in Drenthe zijn boeren zelf al met waardevolle ideeën gekomen. De provincie juicht dit toe en wil kijken hoe zij in haar aanpak ruimte kan maken voor deze ideeën. Er is echter wel beperkt geld beschikbaar. Daarom kijkt de provincie eerst inhoudelijk naar een plan om af te wegen of zij kan bijdragen aan een idee vanuit de samenleving.

Financiën en uitvoering

In de realisatiestrategie heeft de provincie haar werkwijze voor de uitvoering van het TLGD verder uitgewerkt. Daarin staat niet alleen hoe het beschikbare geld tot en met 2030 wordt ingezet, maar ook hoe de uitvoering wordt gepland en welke stappen in de verschillende gebieden worden gezet. Dit geld is niet voldoende om alle maatregelen overal tegelijk uit te kunnen voeren. Daarom vraagt de provincie bij het kabinet om extra geld. Het kabinet heeft aangegeven dat er voor het landelijk gebied weer een fonds komt waar ook provincies gebruik van kunnen gaan maken.

Vragen en antwoorden

Heeft u na het lezen van de samenvatting en het programma nog vragen? We hebben hieronder alvast een paar vragen en antwoorden opgenomen. Staat uw vraag of antwoord er niet bij, dan kunt u contact met ons opnemen.

Algemeen

Wat is er aangepast in deze nieuwe versie (mei 2026)?

Tijdens de inspraakperiode kwam een aantal punten naar voren die meer verdieping, verdere concretisering of betere uitwerking vroegen.

Een kort overzicht van de grootste toevoegingen en wijzigingen en waar deze te vinden:

  • Een uitwerking van het water en bodem sturend en systeemherstel (paragrafen 2.3 en 4.2.1)
  • Duidelijke normen voor melkvee en voor niet-grondgebonden veehouderij (paragraaf 4.1.1 en 4.1.2)
  • Gebiedsgerichte aanpak (paragraaf 4.2.3)
  • Meer uitgewerkte berekening van de verwachte resultaten van het programma (paragrafen 4.2.3 en 5.3.3)
  • Kaarten en de ontwikkelingen rondom landelijke focusgebieden (bijlage 5.1)
  • Financiële onderbouwing (paragraaf 5.4)
  • Uitwerking sociaaleconomische impact van het programma/visie vanuit sociaaleconomisch perspectief (hoofdstuk 6)

Ook is de Realisatiestrategie, het document waarin de uitvoering van het programma is beschreven, verder uitgewerkt en geconcretiseerd. Dit betreft een afzonderlijk document dat via de website van de provincie te raadplegen is.

Wat is er gebeurd met de zienswijzen?

Tijdens de inloopbijeenkomsten in de provincie en tijdens diverse bijeenkomsten en ook met maatschappelijke partners hebben we veel gesprekken gevoerd over het programma. Een groot deel van die opmerkingen, signalen, vragen en verbeter suggesties hebben we meegenomen in de nieuwe versie.

Er zijn schriftelijk 262 zienswijzen op het ontwerpprogramma binnengekomen. Op al deze zienswijzen is een reactie gegeven in de ‘Nota van antwoord’.

Mensen die een zienswijze hebben ingediend, ontvangen een brief waarin staat onder welk nummer hun zienswijze en de reactie daarop terug te vinden is.

Is er voldoende budget om het programma uit te voeren?

Voor het programma is op dit moment 2,37 miljard euro begroot. Wij hebben genoeg middelen om te starten, maar het is nog lang niet genoeg om het hele programma te kunnen uitvoeren.

Dat betekent dat we keuzes maken en voor aanvullende middelen zal er een beroep op het Rijk worden gedaan.

Wanneer is het programma definitief en begint de uitvoering?

Het college van Gedeputeerde Staten heeft op 19 mei het programma TLGD en de realisatiestrategie vastgesteld. Het programma TLGD wordt ter besluitvorming voorgelegd aan Provinciale Staten. Op de website van het Drents Parlement wordt binnenkort duidelijk wanneer bespreking van het TLGD definitief geagendeerd staat. Pas na deze vaststelling is het programma definitief en begint de uitvoeringsfase.

Dat neemt niet weg dat sommige maatregelen die zijn opgenomen in het TLGD, al worden uitgevoerd. Zo nemen veel boeren in het project Duurzaam Boeren Drenthe al managementmaatregelen om de emissies te verlagen Die maatregelen tellen ook mee. In de Realisatiestrategie is een eerste planning voor de uitvoering opgenomen. De komende periode wordt deze verder uitgewerkt.

Kan ik nog reageren op het definitieve programma?

Provinciale Staten bespreken het programma TLGD tijdens de commissievergadering en Statenvergadering van juni en juli 2026. De agenda verschijnt op https://www.drentsparlement.nl/vergaderingen/. U kunt onder meer inspreken tijdens de commissievergadering. Kijk voor meer informatie daarover op Drents-Parlement | Beïnvloeding.

Voor de emissienorm geldt dat deze juridisch vastgelegd wordt in de Provinciale Omgevingsverordening (POV). Wanneer dit gebeurt, kan hierop inspraak plaatsvinden via een zienswijzenprocedure. Dit zal in 2027 plaatsvinden.

Wie heeft de doelen bepaald die gehaald moeten worden voor water, natuur, klimaat en stikstof?

Deze doelen liggen vast in Europese en in nationale regelgeving. Belangrijk zijn de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, de Europese Natuurherstelverordening en de Europese Kaderrichtlijn Water. Op nationaal niveau is de Omgevingswet van groot belang. Daarin liggen onder meer doelen vast voor vermindering van uitstoot van stikstof. De Omgevingswet vormt ook het wettelijk kader waarbinnen vergunningverlening plaatsvindt.

Wat betekent dit plan voor boeren die op de grens wonen van Drenthe en een andere provincie?

De provincie is in gesprek met onze buurprovincies met als inzet dat er zo veel mogelijk een gelijk speelveld is aan boeren van beide zijden van de provinciegrens. Dit speelt met name op de grens met Friesland, omdat we twee N2000 gebieden hebben die op die grens liggen: Het Fochteloërveen en Drents-Friese Wold.

Ik ben boer maar weet nu niet meer hoe ik verder moet met mijn bedrijf? Kunt u mij helpen?

In de Provincie Drenthe werken we nauw samen met Boeren Perspectief Drenthe, dit platform biedt boeren en tuinders kosteloos onafhankelijke sociaal-economische begeleiding om zelf invulling te geven aan toekomstperspectief. Door de inzet van ervaren adviseurs worden boeren geholpen om ambities op te pakken, (nieuw) perspectief te creëren en realistische keuzes te maken.

Meer informatie: www.boerenperspectiefdrenthe.nl. Boeren Perspectief Drenthe is een project van het Ministerie van LVVN in nauwe samenwerking met Agrarisch Natuurbeheer Drenthe.

Stikstof

Welke emissiereductie moet de Drentse melkveehouderij behalen?

Met het TLGD moet een emissiereductie worden gerealiseerd van 30% worden gerealiseerd in 2035. Hiervoor is een norm vastgesteld voor de in de melkveehouderij en de niet-grondgebonden veehouderij. . De reductie in 2035 relateren we aan de emissies in 2019 voor heel Drenthe.

Welke gevolgen heeft de landelijke stikstofaanpak voor de Drentse aanpak?

Op dit moment werkt het Rijk aan een nieuwe stikstofaanpak. Alleen op hoofdlijnen is de inhoud hiervan bekend. Veel daarvan zal nog uitgewerkt moeten worden en hier is ook nog tijd voor nodig. Omdat we in Drenthe al lang hebben gewacht en we de urgentie van het vergunningenslot elke dag voelen, wachten we deze landelijke ontwikkelingen niet eerst af. Zodra de aanpak en het maatregelenpakket van het Rijk duidelijk zijn, leggen we deze plannen naast elkaar. Het uitgangspunt is hierbij dat we geen extra beleid bovenop het landelijk beleid willen leggen of andere normen willen hanteren.

Tegelijkertijd moet zeker zijn dat het landelijke pakket voldoende voor Drenthe doet om vergunningverlening vlot te trekken.

Wat is de norm?

De norm voor melkveehouderij gaat uit van 30% reductie, dat meten we aan de hand van de emissie per fosfaatrecht.

In 2019 was dat in Drenthe gemiddeld 0,32 kg per fosfaatrecht. Dat betekent dat de norm in 2035 op 0,227 kg ammoniakemissie per fosfaatrecht ligt.

Hiermee krijgen boeren een duidelijke norm, waar ze zelf met eigen maatregelen op kunnen sturen. Het gaat dan vooral om de toepassing van innovatieve technieken en managementmaatregelen, zoals weidegang en voermanagement

Voor de niet-grondgebonden veehouderij wordt voorgesteld om te werken met de best-beschikbare techniek. Dit zal ingaan in 2035, dus daarmee hebben bedrijven de tijd om hiernaartoe te werken. We houden rekeningen met categorieën bedrijven (zoals biologische sector of kleine bedrijven) waar dit niet mogelijk is.

Daarnaast geldt dat er in een aantal gebieden een grotere opgave ligt, omdat ze in kwetsbare gebieden liggen of dat er meerdere opgaven samenkomen.

Hoe weet ik of ik aan de norm voldoe?

In 2035 moet iedere Drentse melkveehouder aan de norm voldoen van 0,227 kg ammoniakemissie per fosfaatrecht. Op basis van de bedrijfsgegevens uit de kringloopwijzer van 2025 kan elke melkveehouder zijn eigen totale stal- en opslagemissies zien, de bedrijfsemissie. Door dit te delen door het aantal fosfaatrechten van het bedrijf (in te zien via RVO) kan elke melkveehouder zijn eigen huidige situatie berekenen en heeft daarmee inzicht hoeveel reductie nodig is richting 2035.

Waarom heeft de provincie gekozen voor ammoniakemissie per fosfaatrecht?

Samen met deskundigen uit de sector hebben wij criteria vastgesteld waaraan de norm moet voldoen. We hebben daarbij meerdere alternatieven besproken en daarvan de voor- en nadelen in kaart gebracht.

De optie ammoniakemissie per fosfaatrecht bleek het best passend te zijn bij de criteria Deze  methode heeft een praktische insteek en geeft een goed inzicht op bedrijfsniveau, het geeft een gelijke reductieopgave voor ieder type bedrijf en levert daadwerkelijk emissiereductie op

In paragraaf 4.1 van het programma vindt u de uitgebreide toelichting op deze overwegingen.

Is deze norm al definitief?

Nog niet helemaal. Er worden nog twee stappen gezet: (1) bespreking en vaststelling door Provinciale Staten (juni/juli) en (2) het vastleggen van de norm in de provinciale omgevingsverordening. Voor de definitieve vaststelling wordt de norm nog gecontroleerd door de WUR, zodat fouten in de berekening zijn uitgesloten.

Wat als de norm niet gehaald wordt?

We gaan jaarlijks monitoren hoe het gaat. Dit doen we op Drentse schaal, dus van alle bedrijven samen, met een belangrijk ijkmoment in 2030. Als we in die periode merken dat we de reducties gehaald worden dan zal pas in 2035 zal er op individueel niveau worden gemonitord en bepaald op het doel wordt gehaald. Tot die tijd monitoren we op provinciaal niveau.  Als in 2030 blijkt dat er te weinig gebeurd, zullen eerder in gesprek gaan met individuele bedrijven die achterblijven.

Dat betekent dat elke melkveehouder in de periode tot en met 2035 stappen moet gaan zetten om zo in 2035 aan de norm te voldoen. Wij gaan ervanuit dat de doelen haalbaar zijn en ondersteunen ondernemers bij de te nemen stappen.

Het WUR rapport (Technisch reductiepotentieel voor ammoniak, methaan en lachgas in de melkveehouderij, 2025, Gerard Migchels et al.) laat in berekeningen zien dat voor managementmaatregelen en innovaties de reductie tot wel 50% kan bedragen. Voor alleen managementmaatregelen gaat het om een potentieel van meer dan 30%. Dit zijn gemiddelde cijfers.

Vanaf 2035 is het de bedoeling om boeren individueel te kunnen beoordelen en afrekenen op hun situatie. Hoe dat er precies uitgaat zien is nog niet bekend, maar zal in de komende periode samen met de sector verder uitgewerkt worden.

Komt er een norm voor veldemissies?

Voor veldemissies krijgen agrarische ondernemers geen aparte norm. Dat komt omdat we zien met het huidige nationale beleid er al veel reductie plaatsvindt van veldemissies. We zullen maatregelen blijven stimuleren, zoals het verdund uitrijden van mest en precisie injectie. We onderzoeken of we met regelingen als laaghangend fruit dit kunnen stimuleren. De schatting van onder meer de gevolgen van afbouw van derogatie is een goed onderbouwde aanname op dit moment, maar hangt wel af van de toepassing van kunstmest. De komende jaren zal duidelijker worden hoe dit uitpakt. Mochten uit het monitoren van de ontwikkeling van de veldemissies toch blijken dat de verwachte reductie in praktijk niet wordt gehaald dan zullen we dit plan erop aanpassen en met aanvullende maatregelen komen, dus ook voor sturing op de daling van veldemissies. Dit zal dan onderdeel worden van een bijstelplan.

Wordt het stikstofprobleem opgelost?

Ja, we gaan er van uit dat we met de plan als onderbouwing weer stap voor stap vergunningen kunnen gaan verlenen. Met dit programma zetten we een grote stap. Tot 2035 is wat in het programma vastligt wat de provincie gaat bereiken. Voor een aantal heel kritische natuurtypen kan er daarna desondanks nog een restopgave bestaan. Dit hoeft vergunningverlening niet per se in de weg te staan. Wat nodig is, is dat we kunnen aantonen dat we een voldoende dalende lijn hebben ingezet en aantoonbaar zorgen dat in elk geval de verslechtering van de natuur stopt.

Het plan bevat daarom ook een aantal andere maatregelen voor natuurherstel. Dit geldt in het bijzonder in de gebieden waar water- en natuuropgaven samenvallen. Denk bijvoorbeeld aan beekdalherstel. Dat vraagt om een goede samenwerking, vertrouwen en ook voldoende financiële middelen.

Komt er een norm voor niet-grondgebonden veehouderij?

Voor de niet-grondgebonden veehouderij (de intensieve veehouderij) sturen we met name op geborgde inzet van de beste beschikbare technieken (BBT). Hierbij kijken we wat inhoudelijk en juridisch haalbaar is bij bestaande én toekomstige stallen. Omdat de agrarische sector aangeeft moeite te hebben met steeds verschuivende doelen maken we de BBT-plicht specifiek door een normering voor 2035 vast te leggen. Dit doen we in overleg met de sector. De inzet van best beschikbare techniek willen wij borgen door een emissieplafond per gerealiseerde dierplaats op te nemen in de Omgevingsverordening. Binnen deze normering maken wij onderscheid tussen bestaande stallen en nieuwbouwstallen. De meest optimale techniek is niet altijd in alle situaties optimaal werkend te krijgen, bijvoorbeeld bij inpassing in een bestaande stal. Zie verder paragraaf 4.1.2 van het programma.

Wat is doelsturing?

Doelsturing is een overkoepelend principe waarop wij inzetten om aan de opgaven te werken. Deze opgaven ten aanzien van stikstof, water, natuur en klimaat komen samen op het erf van de Drentse boeren. Doelsturing vertaalt de opgaven naar concrete Kritische Prestatie Indicatoren (KPI’s) voor het boerenerf.

Doelsturing biedt boeren de ruimte om met hun vakmanschap bij te dragen aan de opgaven in het landelijk gebied en om zelf te bepalen hoe zij hun resultaten behalen. Via doelsturing zetten we de boer aan het roer.

Vraagt de provincie ook maatregelen van grote bedrijven uit andere sectoren die veel stikstof uitstoten?

Het Rijk heeft al strenge reductievoorstellen voor de sectoren industrie en mobiliteit (wegen en vaarwegen). Voor die sectoren is het doel een vermindering van de stikstofuitstoot van 50% in 2035.  Dat is meer dan van de landbouw wordt gevraagd.

In het kader van het maatwerk dat per gebied kijkt de provincie wel naar individuele bronnen die in hun eentje verantwoordelijk zijn voor veel neerslag van stikstof op gevoelige natuur. Dat kan ook om bijvoorbeeld industrie of wegen gaan. Daar waar dit zinvol is willen we in gesprek gaan om te zien of maatwerk afspraken mogelijk zijn.

In en rond Natura 2000

Wat gebeurt er rondom de Natura 2000 gebieden?

In gebieden rondom Natura 2000-gebieden ligt een extra zware stikstofopgave. Dat komt om de stikstof (ammoniak) die nabij een Natura 2000-gebied wordt uitgestoten de meeste invloed heeft. Dat pakken we gebiedsgericht aan. Ons uitgangspunt is dat we de gebiedsgerichte opgave van onderop, dus met het gebied samen willen vormgeven. Die samenwerking is van groot belang, zeker bij deze grotere opgaven. Alle opties en instrumenten worden meegenomen en opgeteld: het generieke reductiespoor, innoveren, extensiveren, omschakelen, verplaatsen en stoppen.

Over de hele periode van 2019 tot en met 2035 zal er in vrijwel alle gebieden sprake zijn van enige dynamiek: al gestopt bedrijf of een bedrijf dat in de komende jaren gaat stoppen; een bedrijf dat aanpast of kiest voor extensivering. Op deze manier willen we samen met de ondernemers komen tot een gebiedsplan. Anders dan met de generieke norm, brengen we hierin kaart wat de emissie van de gezamenlijke bedrijven was in 2019. Op basis daarvan wordt er gewerkt naar een reductie van 60%. Hiervan wordt dus al de helft: dus 30% via het generieke spoor gerealiseerd. Met een gebiedsopdracht voorkomen we dat de totale emissies in het gebied toch kunnen groeien.

Zijn deze reducties haalbaar?

De uitdaging rondom de Natura 2000 gebieden is groter dan die in de rest van Drenthe. We hebben de normen daar per gebied vastgesteld. Het resultaat is een grote opgave, maar we zien ook dat er juist door samen te werken weer nieuwe mogelijkheden en kansen ontstaan. Zoals bijvoorbeeld in Veenhuizen, waar de ondernemers zelf de handen al ineensloegen en in staat zijn om op termijn 60% reductie van emissies te realiseren. Zij zetten daarbij ook nog eens stappen op weg naar landschapsherstel en een betere waterkwaliteit.

Zijn de maatregelen voldoende om de natuur te herstellen?

Voor de meeste natuurgebieden zijn stikstof en water de belangrijkste ‘knoppen’ waarmee herstel kan worden bevorderd. Dat is precies de inzet van het programma TLGD. Dus wanneer het lukt om alle in het programma opgenomen maatregelen te realiseren, is de verwachting dat de natuurkwaliteit in Drenthe sterk verbetert.

De wettelijke eisen aan natuurherstel (vanuit de Natuurherstelverordening) kennen een aantal mijlpalen, waarbij het hersteldoel in de loop van de jaren hoger wordt. De eerste mijlpaal ligt in 2030. Uit monitoring moet blijken of het tempo van nemen van maatregelen en het herstel van natuur voldoende is om aan die eisen te voldoen. De overtuiging van de provincie is dat de maatregelen uit het programma hiervoor voldoende zijn, mits deze op tijd kunnen worden gerealiseerd.

Waarom moet er nieuwe natuur worden gerealiseerd?

Voor vergunningverlening is het uiteindelijk bepalend dat de natuur zich gaat herstellen. In de rechtspraak ligt namelijk vast dat de natuur niet verder mag achteruitgaan en zicht moet blijven op het halen van de instandhoudingsdoelen. Dit vergt investeringen in onze natuur, waaronder systeemherstel, zo blijkt uit analyses van onze natuur. Dat systeemherstel betekent dat we met name de hydrologische situatie in onze natuurgebieden op orde willen brengen. Hiervoor moeten gebieden deels vernat worden. Wij denken dat met de aanpak in de verschillende gebieden,  gronden daardoor deels niet meer rendabel zijn voor de landbouw. Dit doen we op basis van vrijwilligheid. We hebben hier ook budgetten voor om waardevermindering te compenseren.

Wat voor maatregelen zijn er nodig voor water?

Er zijn maatregelen nodig om water langer vast te houden, schoner te houden en beter te verdelen. Dat betekent: minder snel afvoeren, meer ruimte geven aan water en het watersysteem beter voorbereiden op droogte en hevige regen.

Voor de kaderrichtlijn water (KRW) zijn maatregelen nodig om vervuiling te verminderen en waterkwaliteit te verbeteren. Dat gaat vooral over het aanpakken van vervuiling bij de bron en het verbeteren van de ecologische kwaliteit van wateren.

Wat is additionaliteitsvereiste?

Uit wet- en regelgeving volgt dat de overheid maatregelen moet nemen voor het voorkomen van verslechtering van de natuur en voor het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen. Het additionaliteitsvereiste is uit rechtspraak ontstaan. Additioneel betekent extra. Met dit vereiste wordt bedoeld dat bij veel N2000-gebieden de natuur geen extra stikstof meer kan verdagen. Daarmee wordt elke vergunning, ook een nieuwe vergunning die veel minder maar nog steeds stikstofemissies bevat gezien als extr (additioneel). Daarom is vergunningen verlenen op dit moment vrijwel onmogelijk.

Kort gezegd geldt: Vergunningen met stikstofruimte kunnen alleen worden verleend als aantoonbaar is dat de stikstofruimte niet ook nodig is voor herstel van de natuur. Die aantoonbare daling is dan geborgd in dit plan.

Hotspots

Waarom kiest de provincie voor vijf aandachtsgebieden: hotspots?

De provincie heeft de opgaven voor natuur, water en stikstof op kaartlagen op elkaar gelegd en gekeken waar deze elkaar het meest versterken. En ook dat op zo beperkt mogelijke hoeveelheid landbouwgrond de gebieden in gaan. Daaruit zijn vijf gebieden naar voren gekomen. Het betreft de Drentsche Aa, Elperstroom, het Oude Diep en in het zuidwesten van Drenthe ‘’Zure Venen’’ en de Vledder Aa & Wapserveensche Aa.

Wat betekent het als mijn bedrijf in een hotspot ligt?

U wordt mogelijk betrokken bij een gebiedsproces, omdat we zien dat er in het gebied opgaven liggen. Wat dit precies voor uw situatie gaat betekenen zal de uitkomst van het gebiedsproces zijn. Deze gebiedsprocessen starten pas na vaststelling van het programma, en ook niet overal tegelijk.