Nieuws over Pingo's


Pingo project fase 3

In 2021 en 2022 zijn en worden opnieuw een aantal -mogelijke- pingoruïnes onderzocht. Het gaat hierbij om aanvullend onderzoek, waarbij we kijken naar de context van het landschap en de samenstelling ondergrond.

Ofschoon pingoruïnes verspreid in Drenthe liggen, ontbreken ze nog een paar regio’s waar ze tot nu toe niet gekarteerd zijn. Ze zijn hier mogelijk wel aanwezig, maar op de huidige topografische kaarten lijken het of ondiepe ronde laagtes in het landschap of het zijn open watertjes.

Het idee van het ontstaat van pingo’s is dat het niet bevroren grondwater onder de permafrostlaag onder druk van de aangroeiende permafrost naar boven komt en vervolgens hier bevriest en uitgroeit tot een heuvel, de pingo. Vaak wordt de vorming van pingo’s gelinkt aan het keileemlandschap, de aanwezigheid van reliëf en aan dalsystemen.

Na aanleiding van het onderzoek tot nu toe viel het me op dat naast de variatie van de hierboven genoemde omgevingsfactoren ook de samenstelling van de ondergrond waarschijnlijk een rol speelt bij de locatie en de spreiding van de pingo’s en daarmee ook de pingoruïnes.

We zien namelijk dat in het centrale en diepste deel van een pingoruïne de keileem ontbreekt en de pingoruïne als het ware met z’n punt in de Formatie van Peelo steekt.

Hieruit kun je concluderen dat pingo’s ontstaan op plekken waar het niet bevroren grondwater niet verder naar beneden kon wegzakken, als gevolg van de samenstelling van de ondergrond, en dus wel omhoog moest komen om een pingo te vormen.

Het kan hierbij gaan om de aanwezigheid van ondiep potklei of van keileem dat uitwigt. Het grondwater kiest dan de weg van de minste weerstand en dat is naar boven.

Eenmaal in de permafrostzone bevriest het water en vormt een kleine ijslens. Deze groeit vervolgens uit tot een pingo, een ijsheuvel. Maar niet overal komt potklei voor en soms lijkt het zo dat plek van de minste weerstand ook bepaalt wordt doordat keileem ter plekke heel zandig is.

Het vormt dan geen belemmering voor het watertransport naar boven. Dit idee wil ik graag wil toetsen in gebieden waar de ‘randvoorwaarden’ zoals hierboven genoemd zijn, ontbreken.

We onderzoeken nu -mogelijke- pingoruïnes in gebieden zonder keileem of in vlakke delen van het landschap en we willen dan vaststellen of het dan wel om pingoruïnes gaat, welke vorm ze hebben en of bijvoorbeeld ondieper zijn, en wat dan de trigger is geweest voor de vorming ervan.

Daarom focussen we ons in het huidige onderzoek op het gebied tussen Alteveer en Hollandscheveld en het gebied te westen van Koekange.

Bij Alteveer is het gebied vlak, maar komt er wel keileem voor en er liggen ondiepe ronde laagtes in het landschap. West van Koekange ontbreekt keileem en er zijn veel ‘trekgaten’ aanwezig, dit zijn openwatertjes waaruit het veen is verdwenen/gewonnen.

We hebben inmiddels eerste onderzoeksresultaten, waarbij het onderzoek wordt uitgevoerd samen met vrijwilligers. Uit de eerste twee onderzoeken nabij Alteveer blijkt dat ook in dit vlakke gebied wel degelijk pingoruïnes aanwezig zijn.

Dit gebied is in het verleden grootschalig verveend, maar de  ronde ondiepe laagtes in het landschap zijn op de hoogtekaart herkenbaar (fig. 1), al dan niet soms met beperkt open water.

Zo ontdekten we een pingoruïne van een kleine 4m diep, waarbij de ondergrond uit zandrijke keileem bestaat (nr. 3099 op de kaart op de site www.pingoruines.nl). Het dekzand ontbreekt geheel in het centrale deel van de pingoruïne, dus een uitblazingskom is hiermee uitgesloten.

Ook een tweede locatie (nr 3133) blijkt een ondiepe pingoruïne, met relatief veel gyttja, een organisch, openwater sediment.

Figuur 1 Hoogtekaart fragmenten van a. Locatie 3099 en

van b. Locatie 3133, Alteveer

In het gebied west van Koekange hebben we, samen met de Universiteit van Utrecht gekeken naar het Berghuizermeer (nr. 91), ook het Trekgat van Berghuizen genoemd (fig. 2).

Figuur 2. Hoogtekaart fragmenten van a. Locatie 91, het Berghuizermeer en b. 3117 Broekhuizen, bron www.pingoruines.nl.

van a. Locatie 91, het Berghuizermeer en

b. Locatie 3117, Broekhuizen

Wim Hoek en Timmer Donders (UU) hebben hier in het water en op het land een kern gestoken. Deze wordt komende winter onderzocht op pollenkorrels en de samenstelling van het veen.

Het blijkt om een vrij ondiepe locatie te gaan van 2,85m diep. Het bijzondere is dat dit eigenlijk voor een uitblazingskom te diep is, maar voor een pingoruïne vrij ondiep. De ouderdom van het veen zal uitsluitsel moeten geven of het wel of toch geen pingoruïne blijkt te zijn!

Dit is belangrijk om te weten, omdat het beheer van dergelijke locaties hierop moet afgestemd worden. Voor een tweede locatie bij Broekhuizen lijkt hetzelfde aan de hand.

Hier hebben we wat extra onderzoek gedaan, met vrijwilligers, om te kunnen vaststellen dat de ondergrond hier deels uit smeltwaterafzettingen bestaat en niet uit dekzand.

De aanwezigheid van een kleilaag uit de Formatie van Boxtel kan in dit gebied gefungeerd hebben als de ‘weerstandslaag’.

Figuur 3a. boring op locatie 3117 Broekhuizen zuid, b. uitleg bij locatie 3117 Broekhuizen noord (foto’s resp. Anja Verbers en Zwaan Beijk).

Het komende half jaar worden nog een aantal locaties onderzocht en zullen de data van al het pingo onderzoek in het kader van het Pingo Programma op deze wijze geanalyseerd.

Hopelijk kan ik dan met meer zekerheid conclusies trekken over de invloed van de ondergrond op de hydrologie van de pingovorming. De informatie die beschikbaar is in het dinoloket en uit boorgegevens van derden, zal daarbij meegenomen worden.

Zo kunnen we nu al van een aantal plekken op de keileemkaart bevestigen dat er een ‘gat’ in de keileem aanwezig is; dit heeft veel impact op de grondwaterhuishouding!

Mocht u aanvullende informatie hebben, zoals boorgegevens, dan houd ik me sterk aanbevolen! a.verbers@lbdrenthe.nl

Profielwerkstuk over pingoruïnes

Drie leerlingen van het Praedinius gymnasium in Groningen, Simone Keulen, Bas van Aalderen en Jelle Oosterlaan, schreven hun profielwerkstuk over pingo’s en pingoruïnes.

Ze kozen voor een benadering vanuit de vakken natuur- en scheikunde rond ijsvorming en -smelt en de chemische samenstelling van het ijs. Maar natuurlijk kwam ook de pingovorming aan bod en de type pingo’s die kunnen ontstaan.

Daarnaast schreven ze over de bedreigingen van de pingoruïnes, verdroging, verzuring, verkeerd beheer etc. Leuk om te zien dat zulke jonge mensen zo geïnteresseerd zijn in deze landschapselementen.

En ze zijn nog niet klaar: ze gaan nu aan de slag met hun Meesterproef en ze zijn ambitieus!

Ze willen een handreiking voor boeren schrijven die -mogelijke- pingoruïnes op hun land hebben, een kaart van pingoruïnes in Noord-Nederland maken en een analyse doen van de bedreigingen en het beheer voor een specifieke locatie.

Daarnaast gaan we nog het veld in om ook een pingoruïne van dicht bij te bekijken en te onderzoeken!

Natuurgidsenopleiding IVN

Berlinda Bork-Beckeringh, Nelleke Sijses en Rolinda Tinge hebben onlangs hun Natuurgidsenopleiding afgerond, waarbij ze zich voor hun eindopdracht hebben gefocust op pingoruïnes.

Ze hebben ”het mysterie van de pingoruïnes ontrafeld”, waarbij ze behalve de mogelijke pingoruïnes in het Norgerholt ook naar het dal van het Peizerdiep hebben gekeken en het Bolleveen en de ijsbaan in Zeijen hebben bestudeerd.

Het gaat hierbij niet alleen om het vaststellen of het een pingoruïne is (zoals i.s.m. Anja Verbers de ijsbaan van Zeijen onderzocht), maar ook welke andere kwaliteiten pingoruïnes hebben, zoals archeologie, maar met name ook de ecologie.

Als eindresultaat ligt er een mooi rapport, met enkele prachtige (fiets) routes, waarbij je langs een aantal pingoruïnes komt.

Fig. 1. De voorzijde van de excursiefolder met een van de routes van de landschapsgidsen

Door Anja Verbers, Fysisch geograaf LBD