Droogte in pingoland


Aardkundige waarden staan de laatste jaren gelukkig steeds meer in de belangstelling, ook bij natuurbeheerders. Feitelijk vormen de aardkundige (abiotische) omstandigheden, ook de belangrijke basis voor de biotische waarden, oftewel de planten en dieren.

Aardkundige fenomenen als pingo-ruïnes en uitblazingskommen zijn in natuurgebieden bovendien belangrijke landschappelijke elementen. Niet in de laatste plaats omdat door hun ontstaansgeschiedenis de abiotische omstandigheden nogal uitzonderlijk zijn en ze daarmee een bijzondere flora en fauna kennen.

In het werk van natuurbeheerders is het adagium ‘eerst de abiotiek op orde’ vaak te horen. Met die abiotiek wordt dan vaak de waterhuishouding bedoeld.

Die waterhuishouding is in veel gevallen echter al niet meer natuurlijk te noemen en meestal betekent dat er in natuurgebieden te weinig of ‘verkeerd’ water is.

Veel pingo’s en uitblazingskommen hebben bijvoorbeeld een vulling van hoogveen, een biotoop dat gebaat is bij schoon en voldoende regen- en grondwater.

Levend hoogveen, een natuurtype dat in het verleden een groot deel van Drenthe bedekte, is zeldzaam geworden. In grotere natuurgebieden zoals het Fochteloërveen en het Bargerveen wordt met man en macht geprobeerd de ‘veenmotor’ weer aan de loop te krijgen.

Dat gaan met horten en stoten. Daarom zijn juist ook de ‘hoogveentjes’ in de pingo’s en uitblazingskommen van groot belang. Ze worden meestal samen genoemd onder de term vennen.

Ze herbergen vaak belangrijke populaties van bijzondere vlindersoorten zoals de veenbesparelmoervlinder en veenhooibeestje. Ook voor reptielen zoals adder en levendbarende hagedis zijn deze pareltjes erg belangrijk.

Levendbarende hagedis

Door de aanhoudende droogte in de afgelopen twee jaren zijn veel van de vennen droog komen te liggen. De bijzondere veenvormende vegetaties verdrogen in rap tempo.

Soorten die van drogere omstandigheden houden profiteren. Zo vindt er een sterke vergrassing plaats in de vennen. Het ‘hoogveen’ wordt overwoekerd door onder meer pijpenstrootje. Ook kunnen er boomsoorten als berk en grove den kiemen waardoor de verruiging en verdroging wordt versterkt en versneld.

Boswachter Pauline Arends ziet ook de eerste effecten op het vlinders. In het Hingsteveen in de bossen bij Grolloo bijvoorbeeld ziet ze dat het eenarig wollegras wordt verdrongen door het pijpenstrootje en dat heeft weer effect op het veenhooibeestje waarvoor eenarige wollegras dé waardplant voor de rupsen is.

Ook de veenbesparelmoervlinder die het van de kleine veenbes op hoogveenbulten moet hebben, heeft het zwaar. Het delicate microklimaat dat zo belangrijk is voor deze habitats is aardig verstoord door de droogte, aldus Arends. Aan de randen van de vennen ziet ze dat ook de dopheide het moeilijk heeft.

Hoe groot de uiteindelijke gevolgen zijn is nog niet duidelijk, maar de dat de kwetsbare vegetaties en daarmee samenhangende soorten in de pingo’s en uitblazingskommen een stevige knauw hebben gekregen mag duidelijk zijn.

En tot slot is het ook de vraag wat de droogte met het bijzondere ‘zadenarchief’ doet dat in bodems van pingo’s aanwezig is.

Elpermeer

Droogte in het Elpermeer, tussen Grollo en Schoonloo.

Het is nog niet helemaal duidelijk wat de oorsprong van het Elpermeer precies is, maar feit is dat het meer volledig is drooggevallen en dat in de randen in korte tijd veel opslag van bomen verschijnt.

Door: Aaldrik Pot Staatsbosbeheer