Hoofdstuk 16 Modernisering van land- en tuinbouw


Na de Tweede Wereldoorlog stond rationalisatie van de landbouw centraal, met ruilverkaveling als belangrijkste instrument. Voor boeren ontstond de mogelijkheid hun bestaanszekerheid te verbeteren, maar met ingrijpende effecten op landschap en natuur. Toch bood de planmatige opzet en sturing van ruimtelijke ontwikkeling ook een kans om bijzondere waarden te sparen en te versterken, en juist in Drenthe werden die kansen benut. Dit hoofdstuik beschrijft de ontwikkeling van het agrarische landschap in de Drents-Friese Grensstreek. Het hoofdstuk gaat relatief vaak over de Drentse situatie, omdat hiervan relatief veel informatie voorhanden is in de boeken van Bernhard Hanskamp (2012 en 2020).

Ruilverkaveling

Halverwege de twintigste eeuw was Drenthe een echte agrarisch provincie. Van de 270.000 inwoners in 1947 waren er 50.000 werkzaam in de landbouw. Steeds zwaarder werd echter de noodzaak tot modernisering gevoeld. Vaak wordt gedacht dat dat lag aan de kleine bedrijven, maar dat is een misvatting. Ten opzichte van andere zandprovincies waren de Drentse bedrijven gemiddeld het grootst. De grootscheepse ontginningen die in de voorgaande decennia hadden plaatsgevonden, hebben hier zeker aan bijgedragen. Een probleem was echter het versnipperde grondbezit. Door de wijze van ontginningen vanaf de middeleeuwen, en door latere vererving kon het grondbezit van een boerderij verdeeld zijn over vele kleine percelen. Dat koste veel reis- en bewerkingstijd. De kleine percelen waren bovendien niet handig voor de trekkers en grotere landbouwmachines, die steeds meer ingang vonden.

Ruilverkavelingen en landinrichtingen in de Drents-Friese Grensstreek. Bron GISdata: RCE, Landschapsatlas.

De problematiek speelde niet overal in gelijke mate. De versnippering en de onhandige vorm van landbouwpercelen speelde meer op de essen dan op de veen- en woudontginningen, die door het strokenkarakter al relatief rationeel waren ingericht. De essen kwamen dan ook al vroeg aan de beurt bij de ruilverkavelingen. Toch hebben vrijwel alle landbouwgronden binnen de Drents-Friese Grensstreek te maken gekregen met ruilverkaveling, zoals blijkt uit de bovenstaande kaart.

Ruilverkavelingen waren in eerste instantie gericht op de verbetering van de agrarische productieomstandigheden. Het versnipperde bezit van boeren werd bijeengebracht tot grotere percelen. Daarnaast werd gewerkt aan de verbetering van de bereikbaarheid door de aanleg van nieuwe wegen, aan de verbetering van de ontwatering en verbetering van de bodemopbouw. Soms werden ook nieuwe boerderijen gebouwd, dichter bij de nieuwe percelen. De ruilverkavelingen waren een belangrijke stap in de modernisering en rationalisatie van de landbouw. Op de grotere en efficiënt ingerichte, meestal rechthoekige percelen was mechanisatie mogelijk, waardoor één boer ook zonder personeel een steeds groter areaal kon bewerken. Uiteraard speelden ook mechanisatie en het gebruik van kunstmest en bestrijdingsmiddelen hierbij een grote rol. Nederland werd koploper in het produceren van voedsel tegen lage kosten. Keerzijde was dat kleine boeren niet meer rendabel konden werken. De ruilverkaveling was voor hen vaak het moment om te stoppen, en de vrijkomende grond maakte het voor de overblijvende bedrijven mogelijk te groeien. De arbeidskrachten die uit de landbouw vloeiden, konden instromen in de industrie en andere bedrijfstakken, waar juist veel vraag naar arbeid was.

De eerste ruilverkavelingen

De eerste ruilverkavelingen van Drenthe werden aangevraagd in 1926. Het ging om de laaggelegen hooi- en weilanden in de beekdalen, zoals de Havelter, de Wittelter, de Uffelter en de Lheeder Maden. De beken waren in de voorgaande periode meestal al rechtgetrokken en de beekdalen waren al beter ontwaterd met sloten. Nu werd dat proces voortgezet en kregen de boeren meer aaneengesloten grond in de beekdalen. Zo werden met gebruik van meststoffen hogere opbrengsten mogelijk.

Vanaf 1939 volgden de essen, waarop vaak kleine versnipperde percelen lagen. De ruilverkaveling van de Wallinger- en Eursinger Es bij Havelte was, na de es van Odoorn, de eerste in Drenthe. De uitvoering startte in 1940 en was in 1950 afgerond. Daarna volgden andere speciaal op de essen gerichte ruilverkavelingen. Het landschap van de essen veranderde. Essen waren van oorsprong open akkerbouwgebieden, met bochtige zandwegen, zonder opgaande beplanting. De ruilverkaveling maakte een heel nieuw wegenpatroon mogelijk, met bij voorkeur rechte en verharde wegen. Dit concept werd toegepast op de essen van Dwingeloo en Lhee, maar vanuit een beginnend besef van de waarde van het landschap zijn er ook essen waarbij het wegenpatroon werd gespaard.

Nieuwe doelstellingen

Al tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen ook andere doelen van de ruilverkaveling in beeld. De provincie, die op dit gebied nog tamelijk autonoom van de Duitse bezetter kon werken, zag er via de ruimtelijke ordening op toe dat kenmerkende bosjes, wegen en hoogteverschillen werden gespaard, en legde bebouwingswerende bestemmingen vast. Daarin liep Drenthe landelijk gezien voorop.

Na de oorlog werd in 1954 landelijk de Ruilverkavelingswet vastgesteld. Hierin werd een landschapsplan verplicht, dat de beplanting van wegen- en waterlopen regelde. Het werd ook mogelijk kavels toe te wijzen aan doeleinden van algemeen nut. In de decennia die volgden kwam steeds vaker, vaak vanuit de provincie, de wens op tafel om ook natuur en landschapsbescherming op te nemen in de plannen.

Uiteindelijk werd in 1985 de nieuwe Landinrichtingswet van kracht. Behalve landbouw diende de nieuwe inrichting voortaan ook doelen van natuur, landschap, infrastructuur, recreatie en cultuurhistorie. Het werd steeds meer mogelijk om landbouwgronden om te vormen naar natuur (zie verder hoofdstuk 17).

De essen van Dwingeloo en Lhee op kaarten van 1955 en 1962. De uitvoering van de ruilverkaveling Dwingelder en Lheeder Esschen werd afgesloten in 1959. Door de nieuwe rechte en verharde wegen veranderde het landschappelijk karakter van de es, dat minder als zodanig herkenbaar werd. Wel bleef het landgebruik (akker) en het open landschap in stand. In het geval van de es van Uffelte werden de nieuwe wegen enigszins bochtig aangelegd, waardoor het glooiingen van de es werden geaccentueerd. Hier werd karakter van de es veel beter behouden. De essen van Diever en Ruinen, die in de jaren 1970 en 1980 werden uitgevoerd, bleef een aantal bochtige wegen behouden, maar verdwenen er zandwegen.

Boerderij aan het Westeinde van Dwingeloo. De Dwingelder Esch, rechts op de foto heeft niet meer de oude wegenstructuur maar het Westeinde op de rand van de es is nog steeds bochtig en heeft mede dankzij de fraaie boerderijen het karakter weten te behouden. Het is nu beschermd gezicht. Foto Overland 217.

Heideontginning en ruilverkaveling

Bij de ruilverkaveling in Drenthe speelde, anders dan vaak gedacht wordt, grootschalige heideontginning geen rol meer. De Ruilverkaveling Spier -Wijster, die in de jaren ’50 werd uitgevoerd, was daarop een uitzondering. De bedrijven in dit gebied hadden voor Drentse begrippen weinig grond. Ontginning maakte bedrijfsvergroting mogelijk. Op de kaart is het gebied ten zuiden van Spier en Wijster te zien in 1955, voor de ruilverkaveling (links), en erna in 1965 (rechts). In 1955 was er sprake van particuliere heideontginning (zie ook hoofdstuk 11). Op de kaart van 1955 zijn strookvormige percelen te zien die vanaf de oude essen de heide in zijn getrokken, die kenmerkend zijn voor dit type ontginning. De percelen waren nog maar enkele jaren ontgonnen, maar werden bij de ruilverkaveling ‘overschreven’ door een nieuwe rechthoekig ingedeelde landschapsstructuur. Het contrast tussen de oude essen en de omgeving verdween hierdoor. Wel werden bospercelen, vennen en grafheuvels in het gebied rond de Wijsterseweg gespaard.

Harry de Vroome

Binnen het proces van ruilverkavelingen waren er in Drenthe verschillende mensen die oog hadden voor de kwaliteiten van het landschap en die daarop voortbouwden. Een van hen was landschapsarchitect Harry de Vroome (1920 - 2001). Hij was opgeleid aan de Hogere Tuinbouwschool in Frederiksoord en werkte vanaf 1948 bij Staatsbosbeheer. Vanaf dat moment maakte hij vele landschapsplannen, die vanaf 1954 verplicht onderdeel waren van ruilverkavelingen. Als landschapsarchitect had hij veel oog voor het historische karakter van de Drentse landschappen. In veel van zijn ontwerpen voor de Drentse ruilverkavelingsplannen bracht hij dit historische karakter op een eigentijdse manier terug, met de aanplant van bosjes en lanen en de (her)beplanting van brinken. Harry de Vroome had een positie om, soms tegen de stroom in, het belang van natuur en landschap kracht bij te zetten. Zo dreigde hij met zijn collega’s van Staatsbosbeheer weg te lopen in de onderhandelingen over de aanpak van de ruilverkaveling Diever. Mede door zijn standvastigheid werd het oude cultuurlandschap van de essen rond Diever gespaard en werden in het kader van de ruilverkavelingen ook fiets-, ruiter- en wandelpaden aangelegd. Er kon echter niet worden voorkomen dat de gracht van de kasteelheuvel van Wittelte werd geëgaliseerd, en dat er boerderijen aan de rand van het dal van de Vledder Aa  werden gebouwd.

Voor een groot deel van Drenthe wordt het bijzondere karakter van de jonge heideontginningen en ruilverkavelingen in de komende jaren opnieuw in kaart gebracht; dit geldt overigens niet voor de gemeente Westerveld.

Topografische kaarten van het landschap van Diever van 1976 en 1988, voor en na de ruilverkaveling. De structuur van het landschap, de openheid van de essen, het opgaand groen tussen de essen en de bochtige wegen zijn, mede dankzij de inzet van Harry de Vroome en zijn collega’s, goed bewaard gebleven. Wel is veel akkerland omgezet in grasland, wat te maken heeft met het sterkere accent op de melkveehouderij binnen de landbouw. Inmiddels is er weer meer akkerland op de essen.

De Hezenesch bij Diever is nog altijd een grote open ruimte, waarvan de randen net als voor de ruilverkaveling bestaan uit een afwisseling van kleine landbouw- en bospercelen. De zandweg werd bij de ruilverkaveling een klinkerweg. Foto Overland 370.

Sturing door de provincie Drenthe

De provincie Drenthe had al vroeg oog voor natuur en landschap, mede vanwege het belang van de groeiende recreatie. Daarom besloot de provincie al vroeg om via de ruimtelijke ordening mee te sturen in de totstandkoming van de ruilverkavelingsplannen. Al ver voor de landinrichtingswet van 1985 hadden die in Drenthe daardoor het karakter van landinrichtingen.

Sturing ging ook uit van het zogenaamde concentratiebeleid dat de provincie tussen 1950 en 2000 voerde. Dit beleid heeft er voor gezorgd dat woningbouw en de groei van bedrijvigheid vooral in de steden Hoogeveen, Emmen en Assen werd geconcentreerd. De bevolking hier verveelvoudigde in veel hogere mate dan in andere Nederlandse steden. De dorpen groeiden daardoor veel minder, waardoor de sfeer en de ruime opzet van erven en groen kon blijven behouden.

Ook via zogenaamde uitbreidingsplannen vond sturing plaats, waarbij vaak veel aandacht was voor het karakter van de esdorpen, het bewaren van de groene ruimten in de dorpen, de beplanting van de brink, de inpassing van nieuwbouw en nieuwe wegen en de ontwikkeling van recreatie. Zo werd op veel plekken de historische ruimtelijke samenhang tussen dorp en essen behouden.

Jongste ontwikkelingen

Sinds 1950 is de landbouwproductie per ha in Nederland gemiddeld meer dan vertienvoudigd. Dat wordt veroorzaakt door schaalvergroting en intensivering. Het aantal landbouwbedrijven loopt terug, terwijl de oppervlakte en het aantal dieren per bedrijf groeit. Dit proces heeft ook in Drenthe plaatsgevonden.

Bedrijfsvergroting heeft geleid tot de bouw van nieuwe stallen, uitplaatsingen van bedrijven vanuit de dorpskernen naar de beekdalen en veldontginningen, vergroting en optimalisatie van percelen. Hierdoor zijn sloten en greppels gedempt en worden bomen en houtwallen tussen percelen verwijderd. De weidegang in de melkveehouderij verdwijnt steeds meer, deels ook door landelijke stikstofmaatregelen. De teelt van bloembollen en bloemen deed zijn intrede. Ook hebben traditionele gewassen op de essen (granen en akkerbouwgewassen) en het grasland in de beekdalen, plaatsgemaakt voor nieuwe teelten op de es en diervoedergewassen in het beekdal.

De landbouwgebieden rondom de natuurgebieden zijn hierdoor zowel landschappelijk als ecologisch minder gevarieerd geworden. Wilde planten en dieren, met name akker- en weidevogels, zijn in aantal achteruitgegaan of zelfs verdwenen. Mede door het verdwijnen van slootjes, singels en houtwallen zijn de ecologische relaties tussen natuurgebied en landbouwgebied aangetast. De groene dooradering van landbouwgebieden is verminderd. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de ecologische kwaliteit van veel landbouwgebieden, maar ook voor de recreatieve aantrekkelijkheid ervan.

Door deze ontwikkeling is het contrast tussen natuur en landbouw steeds groter geworden. Daar waar natuurgebieden door herstel- en inrichtingsmaatregelen voedselarmer zijn geworden en grasland is omgezet in nieuwe heide met stuifzand, zijn de landbouwgronden steeds voedselrijker en homogener geworden. Traditionele graslanden met bloemen en insecten zijn op de meeste plekken  verdwenen.