Samenhangend natuurnetwerk


Een samenhangend natuurnetwerk kenmerkt zich door:

  • Complete ecosystemen: (natuur)gebieden die groot genoeg zijn voor natuurlijke processen (bijvoorbeeld waterhuishouding), waar de milieuomstandigheden goed zijn voor de natuurtypen en die toegankelijk zijn voor soorten door middel van met elkaar verbonden leefgebieden.
  • Een bloedsomloop van grote en kleine natuurgebieden en landschapselementen met groene tentakels tot in de haarvaten van het landschap. In beleidsmatige termen: natuurgebieden binnen de EHS en natuur buiten de EHS. Dit laatste betreft de groen(blauw)e dooradering in agrarische en stedelijke gebieden, waar bepaalde soorten van afhankelijk zijn. Een robuust natuurnetwerk dringt dus door tot in alle hoeken en gaten van Drenthe. Dit heeft ook een nadrukkelijk cultuurhistorische component.
  • Verblijf van diverse soorten. De provincie heeft de verantwoordelijkheid voor een rijke biodiversiteit waar zowel internationale, nationale als Drentse doelsoorten deel van uitmaken. Dit houdt in dat deze soorten zowel binnen als buiten de bestaande EHS goede leefomstandigheden moeten kunnen vinden. Dit kan door het aanbieden van leefgebieden en verbindingen, zodat de soort op eigen kracht kan komen of na herintroductie in Drenthe blijft leven.

De drie elementen van een robuust natuurnetwerk vertalen zich op soort niveau zowel op macroniveau als op microniveau. Voorbeelden zijn het wilde zwijn en het edelhert. Daar gelaten dat het edelhert herintroductie behoeft, gaat het om het koppelen van grote rustgebieden met foerageergebieden, zodat er een totaal functionerend leefgebied komt. Op microniveau zijn er ook verbanden tussen soorten en kleine gebieden, landschapselementen, bepaalde landschappen. Voorbeelden zijn de populatie knoflookpadden in Oost-Drenthe; de roggelelie op de essen. Daarnaast zijn er soorten van (half-)agrarische gebieden, zoals de akkervogels. Deze soorten leven dus in gebieden waar landbouw en natuur nauw verweven zijn.