Veel gebruikte termen


Verticale doorsnede van de bodem met alle horizonten (o.a. uitspoelingshorizont (A) en inspoelingshorizont (B), tot in het onveranderde (moeder- )materiaal (C) (Iers Zweeds as) Langgerekte, soms kronkelende en zich vertakkende rug, die ontstond doordat van landijs afkomstig smeltwater materiaal aanvoerde en achterliet Mechanische krachten die worden uitgeoefend door water en sediment, zoals erosie, transport en afzetting van sediment, stroming van water en golfslag zie sandr

In onderzoeksrapporten en besluiten van de provincie komen de soms moelijke termen vaak voor: U kunt ze vinden in deze woorden- en begrippen lijst.

A-B-C-D-E-F-G-H-I-J-K-L-M

N-O-P-Q-R-S-T-U-V-W-X-IJ-Z

A

Aanwas: Strook land ontstaan langs een kust of oever door afzetting van materiaal

Aardkundig erfgoed: Resultante van landschapsontwikkeling door natuurlijke processen en wat hiervan in de ondergrond, bodem en landschapsvormen terug te vinden is

Aardkundig monument: Natuurmonument dat zijn belang vooral ontleend aan zijn aardkundige (geologische, geomorfologische, bodemkundige) betekenis

Aardkundige waarden: Een verzamelnaam voor allerlei geomorfologische, geologische, bodemkundige en geohydrologische verschijnselen en processen in het landschap, die een bepaalde waarde vertegenwoordigen. Het begrip aardkundige waarden wordt gebruikt in drie betekenissen: als synoniem voor geodiversiteit (zie aldaar), als aardkundig waardevolle gebieden die op grond van wetenschappelijke of beleidscriteria zijn geselecteerd als waardevol, en als het gehele wetenschappelijke vakgebied dat betrekking heeft op de omgang met aardkundige waarden (zoals ook de term cultuurhistorie wordt gebruikt)

Aardkundig waardevol: Abiotisch landschap(selement), met hoge intrinsieke waarde

Aardwaarden: zie Aardkundige waarden

Abiotisch: Betreft de elementen van het landschap die niet zijn ontstaan door of onder invloed van de levende natuur. De niet-levende natuur die niet door levende organismen is teweeggebracht

Afzetting(sgesteente): Gesteente dat is gevormd door de afzetting of sedimentatie van materiaal dat is aangevoerd door stromend water, wind of bewegend ijs

Afkalven: Instorten van de oever of kust door ondergraving, met steile helling tot gevolg

Archeologie: De wetenschap die de materiële nalatenschap van de mens uit de verschillende fasen van de geschiedenis bestudeert, met uitsluiting van de schriftelijke bronnen. Behalve de materiële nalatenschap van de mens uit de prehistorie bestudeert de archeologie ook de materiële overblijfselen uit latere fasen van de geschiedenis, zoals de middeleeuwse archeologie en de industriële archeologie. Veel nagelaten sporen worden door opgraving aan het licht gebracht

Asymmetrisch droogdal: Een niet watervoerend dal met een steile en een flauw hellende dalwand in doorlatend materiaal. Aangenomen wordt, dat de droogdalen in West-Europa zijn ontstaan tijdens de ijstijden van het Pleistoceen, toen de bodem permanent bevroren was en het regen- en sneeuwsmeltwater bovengronds moest afstromen en daarbij dalen uitschuurde

AW: Aardkundig Waardevol gebied

AMK: Gebied dat op de archeologische monumenten kaart voorkomt

B

Barchaan: Een sikkelvormig duin waarvan de punten van de wind af zijn gericht. Actief duin

Basisveen: Veen dat langs de kust gevormd is op de P leistoceen ondergrond bij het stijgen van het grondwaterniveau als gevolg van zeespiegelrijzing na het afsmelten van de landijskappen en dat later overdekt is door zeeafzettingen

Beekdal: Dal van een beek vaak aanzienlijk breder dan de direct aan de beek grenzende gronden doordat de beekloop zich in de loop van de tijd heeft verplaatst

Belanghebbenden: Mensen die binnen de invloedssfeer van de bodemsanering vallen. Hierdoor kunnen zij bijvoorbeeld overlast krijgen door geluid, trillingen etc.

Bemesting: Toevoeging van voedingsstoffen aan de bodem, die ten doel heeft de vruchtbaarheid ervan in stand te houden en eventueel te verhogen

Beschikking: Besluit

Bezinkveld: Veld waar, door de aanwezigheid van dammen, water zo tot rust komt, dat de daarin aanwezige stoffen kunnen bezinken

Biodiversiteit: De aanwezigheid van verschillende levensvormen naast elkaar in een bepaald gebied of op een bepaalde locatie. Variatie aan levende organismen; hoe meer soorten, hoe waardevoller

Bodem: Dit is grond en grondwater

Bodemerosie: Het wegspoelen of wegwaaien van bodemmateriaal in een sneller tempo dan het bodemmateriaal kan worden gevormd. Bij bodemerosie is sprake van een verstoord evenwicht tussen bodemvorming en de natuurlijke afvoer van bodemmateriaal. Een dergelijk proces is meestal het gevolg van menselijke activiteiten, waarbij de vegetatie verdwijnt, zoals ontbossingen, het ploegen van prairies of het afbranden van steppen

Bodem: In de bodemkunde verstaat men onder de 'bodem' de bovenste 1 à 2 meter van de aardkorst waarin door de inwerking van verschillende fysische, chemische en biologische processen een zgn. bodemprofiel is ontstaan dat bestaat uit een aantal zgn. horizonten. Twee belangrijke bodemvormende processen zijn: (a) de vorming van een donkere horizont die rijk is aan organisch materiaal (humus) dat afkomstig is van omgezette plantenresten, en (b) de verplaatsing van bepaalde bestanddelen (ijzer, klei) van boven naar beneden in de bodem door regenwater

Bodemprofiel:

Bodemsanering: Dit is het bewerken van de bodem zodat deze weer geschikt is voor bijvoorbeeld het gebruik als tuin, bedrijfsterrein of park

Boerenzandgaten: Kleine zandgroeven voor eigen gebruik

Bosveen: Zie veen

BP: Before Present ofwel voor heden. Dit gebruikt men om ouderdom aan te geven bij dateringen. Heden is bij afspraak het jaar 1950 na Christus

Breuk: Een breuk in de geologische zin van het woord is een vlak waarlangs de samenhang van een gesteente is verloren gegaan. De gesteentemassa's aan weerszijden van een breuk kunnen ten opzichte van elkaar zijn verschoven.

Breuktrap: Trede in het oppervlaktereliëf van de aarde, die zijn ontstaan dankt aan de verticale bewegingen van twee naast elkaar gelegen schollen van de aardkorst

Brikgrond: Bodem waarbij vooral kleideeltjes door wegzakkend water vanuit een ondiepe naar een diepere horizont zijn vervoerd

Bron: Plaats waar grondwater op natuurlijke wijze over een klein oppervlak uitvloeit

Bronerosienis: Nis die is ontstaan bij de afvoer van materiaal door uittredend grondwater

Bronniveau: Niveau waar het grondwater uittreedt. We vinden een bronniveau boven ondoorlatende lagen, omdat het grondwater daaroverheen vloeit

BUS: Besluit Uniforme Saneringen

C

Celtic fields: Of raatakkercomplex; landbouwgronden uit de ijzertijd (ca.800 – 50 voor Chr.), op de hogere zandgronden, met een rationele indeling. Ze zijn ontstaan doordat stenen en boomstronken steeds aan de randen van de akkers werden neergelegd

Colluvium: Afzetting van door regenwater afgespoeld bodemerosiemateriaal aan de voet van een helling. Algemeen in landbouwgebieden (landbouwcolluvium)

Cultuurhistorisch erfgoed: Resultaten van de beschavingsgeschiedenis; het betreft hier historische geografie, archeologie en bouwkunst

Cultuurlandschap Landschap: waarin het vegetatiebeeld en het kleinschalige reliëf geheel of grotendeels bepaald is door menselijk ingrijpen

D

Dekzand: Zand dat door de wind in een laag over de ondergrond werd uitgespreid. Het in onze omgeving aan de oppervlakte voorkomende dekzand dateert uit de droge fasen van de laatste ijstijd

Dekzandkop: Kleine heuvel bestaande uit dekzand

Dekzandrug: Lage duinrug, die ontstaan is door opeenhoping van dekzand op de overgang van onbegroeide en begroeide gebieden

Dekzandvlakte: Vlakgelegen dekzandgebied

Del: Onduidelijk laagte aan het begin van droge dalen, die tijdens de ijstijden zijn ontstaan of een voormalig watervoerende dalletje dat is opgevuld door landbouwcolluvium

Denudatie: (Lat. denudare = ontbloten) Door verwering, erosie en afvoer van materiaal veroorzaakte verlaging van het aardoppervlak. De denudatie kan uiteindelijk leiden tot de vorming van een schiervlakte

Detritus: Door verwering of andere vormen van desintegratie ontstaan los materiaal

Dobbe: laagte met water: verzamelnaam voor pingoruïne, ven of gegraven veedrenkpoel

Donk: Nederlandse benaming voor een boven jonge klei- of veenvlakten uitstekende zandheuvel. Een donk is meestal het bovenste deel van een rivierduin uit de eindfase van de laatste ijstijd

Doodijs: Een ijsmassa die niet meer wordt gevoed door een ijsstroom of ijskap.

Doodijsgat: Depressie gevormd door het afsmelten van blokken (dood)ijs dat begraven was door ijssmeltwaterafzettingen

Doorbraakdal: Laagte in de stuwwal, waardoor het smeltwater weggestroomd is, dat zich tijdens het afsmelten van het landijs in meren achter de stuwwallen verzamelde

Droogdal: Zie asymmetrisch droogdal

Droogmakerij: Drooggemalen meer, plas of zeegedeelte

E

Ecosysteem: Het geïntegreerde geheel van een levensgemeenschap met haar a-biotische omgeving

Ecoptoop (Ecotoop): Een ruimtelijk te begrenzen ecologische eenheid, waarvan de samenstelling en de ontwikkeling worden bepaald door abiotische, biotische en antropogene aspecten samen

Eemien: De warme periode of interglaciale tijd (130.000-120.000 geleden) tussen de voorlaatste en de laatste ijstijd (Saalien en Weichselien).

Ernstig: Een geval is ernstig als er 25 kubieke meter grond of meer en/of 100 kubieke meter grondwater boven de interventiewaarde is verontreinigd. Saneren is dan nodig, de vraag is alleen wanneer. Het tijdstip van saneren bepalen we door een risicoberekening (spoedbepaling)

Eolisch: Door de wind gevormd. Oppervlaktevormen en afzettingen, die onder invloed van de wind zijn ontstaan

Erosie: Het losmaken en/of opnemen en over enige afstand meevoeren of verplaatsen van aardkorstmateriaal door een bewegend agens (vallende regendruppels, stromend water, wind, bewegend ijs). (Lat. erodere = knagen)

Es: Oud bouwland in Nederland en het aangrenzende deel van België en West-Duitsland. De essen zijn eeuwenlang opgehoogd met mest uit de potstallen en zo relatief hoog en humeus geworden. De voor een es karakteristieke bodem noemt men enkeerdgrond

Esker:

F

Fluvioglaciaal: Door smeltwater gevormd

Fluvioglaciale afzettingen: Sedimenten opgebouwd uit materiaal, dat door smeltwater werd aangevoerd

Fluvioperiglaciaal Afzettingen, opgebouwd uit materiaal dat onder koude condities werd aangevoerd, zowel door regenwater als door smeltwater afkomstig van sneeuw of bodemijs

Fort: Plateauvormige restheuvel van dekzand in een stuifzandgebied, ontstaan door verstuiving van de omliggende, soms hogere en drogere zandgronden, waarbij de vochtige laagte resteerde en veranderde in een hoogte (reliëfomkeer)

Fossiel: Bewaard gebleven rest of spoor (afdruk) van een organisme. Fossielen geven ons een beeld van het vroegere leven. Bovendien zijn ze van groot belang voor de ouderdomsbepaling van een gesteente

Functiegerichte bodemsanering: Een sanering waarbij de bodem zodanig opgeschoond wordt zodat deze geschikt is voor een bepaald gebruik zoals bedrijventerrein, park of wonen. Hierbij wordt de bodem niet helemaal schoongemaakt

G

Geodiversiteit: De natuurlijke variatie aan geologische, geomorfologische en bodemkundige verschijnselen en processen en hun onderlinge samenhang

Geoheritage: Internationaal gehanteerde term voor Aardkundige waarden die op grond van hun betekenis voor de samenleving zijn aangewezen als erfgoed

Geomorfologie: Landschapsvormen, ook de wetenschap die de vormen van het aardoppervlak bestudeert, beschrijft en verklaart

Geval van bodemverontreiniging: Dit is de aangetoonde verontreiniging

Gidsgesteenten: (Zwerf)stenen waarvan het herkomstgebied (in Scandinavië) of ouderdom bekend is

Glaciaal: Onder invloed van landijs of gletsjers gevormd; ijstijd

Glaciale deformatie: Vervorming van de ondergrond door de kracht van bewegend landijs (stuwing, plooiing etc.)

Glaciale erosie: Het meenemen van materiaal door bewegend ijs

Gley: (bodemkunde) Grond met vlekken, die zijn ontstaan dankzij een afwisselende reductie en oxydatie van bepaalde, veelal ijzer-, en mangaanhoudende verbindingen

Gordeldekzand: Dekzand dat als een rug om of op de flank van een hoogte (stuwwal, keileemhoogte) ligt

Grondmorene: Door landijs of gletsjers meegevoerd materiaal dat achterbleef op de bodem waarover het ijs schoof

Grondwaterpeil: Hoogte van de grondwaterspiegel ten opzichte van het maaiveld

H

Habitat: De plaats waar een bepaald organisme leeft of groeit: is. Latijn voor ‘het bewoont’

Hollandveen: Veenpakket in West- en Noord-Nederland ontstaan onder invloed van verschillende factoren waaronder vooral stijging van de grondwaterspiegel samenhangend met stijging van de zeespiegel na de laatste ijstijd

Holoceen: Huidig geologische tijdvak (10.000 jaar BP – heden) dat gekenmerkt wordt door warme (interglaciale) omstandigheden en een stijgende zeespiegel. Het Holoceen vormt het laatste deel van het Kwartair (2,4 ma BP - heden)

Humuspodzol: Bodem waarin vooral omgezette humusprodukten zijn uitgespoeld uit een ondiepe horizont naar een diepere

I

Immobiele verontreiniging: Een verontreiniging die zich niet verspreidt in de bodem

Interglaciaal: Tussenijstijd met een warmer klimaat

Interventiewaarde: Dit betekent dat de bodem sterk is verontreinigd. Er moet dan iets gebeuren zoals bijvoorbeeld een sanering of verder onderzoek.

Inversie: (van het reliëf) Omkering van het reliëf. De oorspronkelijk laag gelegen zandige of kleiige delen (kreken) liggen nu als lage ruggen (kreekruggen) in het veen- of kleilandschap. Door klink als gevolg van ontwatering en/of oxydatie zijn de klei- en veenlagen lager komen te liggen dan de meer zandige (kreek)afzettingen

K

Kamduin: Samengestelde reeks van paraboolduinen

Kame Heuvel: korte rug, terras of plateau ontstaan doordat smeltwaterstromen materiaal neerlegden tussen en langs geïsoleerde ijsmassa's

Kameterras: Kame in de vorm van een terras, dat tussen een ijsmassa en een hoogte, bijvoorbeeld een stuwwal, ontstond

Katteklei: Zure klei met gele vlekken van basisch ijzersulfaat, waarin soms ook vrij zwavelzuur voorkomt. Katteklei ontstaat door oxydatie van modderklei

Keienvloertje: Laag van steentjes en grindjes, ontstaan doordat de fijne fracties (zand en klei weggeblazen zijn

Keileem: Uit stenenrijke leem bestaand morenemateriaal

Klink: Het zakken van de bodem door ontwatering

Knikklei: Zie knipklei

Knipklei: Zware dichte zeeklei. Knipklei ontstond voornamelijk op ver landinwaarts gelegen kweldergedeelten

Kreek: Waterloop die zijn ontstaan dankt aan erosie door getijdenstromen

Kreekrug: Lage rug ontstaan door reliëfinversie. Een oorspronkelijk laag gelegen zandige kreekopvulling is door klink van de aangrenzende klei- en/of veenrijke bodem boven zijn omgeving gaan uitsteken

Kronkelwaard: Een complex van ruggen en geulen, gevormd in de binnenbocht van een meander die zich verlegd .

Kruinig perceel: Bolle akker die ontstond door een bepaalde manier van ploegen (van binnen naar buiten) ter verbetering van de afwatering

Kryoturbatie: Vervorming van bodemlagen door het intensief bevriezen en weer ontdooien van de bodem meestal op een ondoorlatende bevroren ondergrond

Kwartair: Jongste tijdvak in de aardgeschiedenis; begon ca. 2,5 miljoen jaar geleden en is onderverdeeld in Pleistoceen en Holoceen

Kwelder: Volledig begroeide op- of aanwas in Noord-Nederland, die slechts zelden door de zee wordt overstroomd

Kwelwater: Uittredend grondwater, dat via doorlatende lagen van hoger gelegen gronden toevloeit

L

Landijs: IJskap van zeer grote afmetingen

Leem: Taaie en klevende grondsoort met een hoog siltgehalte (deeltjes tussen 2 en 63 µ). Grondsoort waarvan de deeltjes grover zijn dan klei, maar fijner dan zand; 2 – 63 µ

Löss: Homogene, ongelaagde windafzettingen voornamelijk bestaande uit siltdeeltjes (deeltjes tussen 2 en 63 µ)

M

Ma: Miljoen jaar; ouderdomsaanduiding

Marien: In zee afgezet of gevormd

Meander: Lus in een natuurlijke waterloop (rivier of beek) ontstaan doordat aan de buitenkant van een bocht grond wordt weggeërodeerd dat aan de binnenkant van de bocht wordt afgezet.

Meanderbank: Rug bestaande uit rivierafzettingen die aan de binnenzijde van een meander wordt gevormd

Meermolm: Organisch bezinksel op de bodem van een meer of plas in een veengebied gevormd uit afslag van de veenoevers en resten van waterplanten en waterdieren

Meerwal: Wal die door golfwerking wordt gevormd op de (overheersend) windafwaarts gelegen oever

Megaflute: Kilometers lange rug, die door bewegend landijs is gevormd in de stroomrichting

Metamorf: gesteente Gesteente dat is omgevormd onder hoge druk en/of temperatuur; zoals zandsteen in kwartsiet

Mineralisering: Het proces van omzetting van organisch materiaal in anorganische componenten

Mobiele verontreiniging: Een verontreiniging die zich verspreidt in de bodem

Modderklei: Donkere, slappe, meestal in brak water afgezette klei, waarin veel plantenresten voorkomen en die rijk is aan sulfiden

Moernering: Het (onregelmatig) afgraven van ondiepe, zoute veenlagen bedekt door een laagje zeeklei, voor de winning van zout

Molenvijver: Ook molenkolk genoemd, gegraven diepe kuil voor waterberging om watermolen aan te drijven

Morfodynamiek:

Multifunctionele bodemsanering: Een sanering waarbij de verontreiniging volledig verwijderd wordt zodat de bodem na sanering schoon is

N

Natuurdoeltypen: Een nagestreefd type ecosysteem dat een bepaalde biodiversiteit en een bepaalde mate van natuurlijkheid als kwaliteitskenmerken heeft

Natuurontwikkeling: Het op gang brengen van natuurlijke processen, waarbij in optima forma deze processen met zo min mogelijk menselijk ingrijpen kunnen plaatsvinden en dat daarbij een zo compleet mogelijk ecosysteem gevormd wordt

Nevengeul: Een, vaak gegraven of uitgegraven oude stroomgeul, die parallel aan de rivier of beek stroomt

O

Oerbank: Door accumulatie van uitgeloogde ijzer- en humusverbindingen dicht en ondoorlatend geworden laag in de podzolen van een zandgrond

Oerstroomdal: Dal dat zijn ontstaan te danken heeft aan het feit dat rivieren door de aanwezigheid van landijsmassa's gedwongen werden een andere richting in te slaan en/of zich langs een vergletsjerd gebied veel smeltwater verzamelde

Oeverwal: De lage ruggen die een rivier langs zijn bedding kan vormen

Ontsluiting: Plaats waar de ondergrond zichtbaar is, zoals in een groeve, bouwput of steile beekoever

Opheffing: Het omhoog komen van de ondergrond als gevolg van tektonische bewegingen

Oxydatie: Verbinden met zuurstof

P

Paraboolduin: Duin in de vorm van een hoefijzer dat ontstond doordat het aangevoerde zand door vegetatie werd vastgehouden. De punten wijzen in de richting van de overheersende wind

Periglaciaal: Alle met het blote oog duidelijk zichtbare structuren en terreinvormen die direct of indirect zijn ontstaan t.g.v. het intens bevriezen van de grond. Poolomstandigheden: koud en droog, maar zonder landijs of smeltwater

Permafrost: Altijd bevroren ondergrond; daar waar de gemiddelde jaartemperatuur beneden het vriespunt ligt, zoals in Alaska en Siberië. In Nederland heersten dergelijke omstandigheden o.a. gedurende de laatste ijstijd, het Weichselien

Petgat: Ten behoeve van turfwinning voor brandstofvoorziening gegraven gat in gebieden met veen (beekdalen, laagten met veen). Doorgaans gevuld met water.

Pikklei: Zie knipklei

Pingo: Heuvel die ontstaat bij oppersing van de grond door een uitdijende ijslens. Bij het dooien of openbarsten van de ijslens kan de er op aanwezige grond naar beneden glijden. Er ontstaat dan een omwalde laagte, die pingoruïne wordt genoemd

Pingoruïne: De kuil die door het smelten van de in een pingo aanwezige ijsmassa ontstaat. Een pingoruïne is meestal omgeven door een wal, die zijn ontstaan dankt aan de afglijding van de op de smeltende ijsmassa aanwezige grond

Plateau: Hoogte met een vrijwel horizontale bovenzijde, die scherp wordt begrensd door steilere hellingen, welke de flanken van het plateau vormen

Plateauvormige restheuvel: Zie fort

Pleistoceen: Eerste deel van het Kwartair ; gekenmerkt door de vele ijstijden, wordt daarom ook wel IJ stijdvak genoemd (2,5 ma – 10.000 jaar geleden)

Podzolen: Een bodemtype dat wordt gekenmerkt door een asgrijze uitspoelingshorizont en een donkere roest- of koffiebruine inspoelingshorizont, rijk aan ijzer en/of humusverbindingen.

Pollen: Stuifmeelkorrels

Pollenanalyse: De wetenschap die zich bezighoudt met fossiele stuifmeelkorrels en sporen van mossen en varens. Wordt gebruikt voor de reconstructie van de vegetatie- en klimaatgeschiedenis

Potklei: Een kenmerkende, zeer zware, compacte, donkergekleurde klei gevormd in ijssmeltwater, die voorkomt in Noord-Nederland en dateert uit het Elsterien

Potstal :Stal voorheen in gebruik op de zandgronden. Het vee stond op de eigen mest tot de stal vol was. Als strooisel werden heide-, bos- of grasplaggen gebruikt, gemengd met zand. Dit mengsel werd op het bouwland (enk of es) gebracht waar zich in de loop der eeuwen een dikke eerdgrond vormde

Priel: Geultje op de flanken van een wad. Prielen worden door het bij eb afstromende water gevormd

Pseudo-åsar: Dekzandrug die een grote uiterlijke gelijkenis vertoont met de ås of esker (smeltwaterrug)

Puinwaaier: Kegelvormige afzetting van een stroom, waar deze vanuit hoger gelegen terrein in een vlakker terrein komt

R

Randglaciaal proces: Proces dat plaatsvindt in een brede randzone langs het landijsfront

Randwal: Wallen van stuifzand die zich vormden in de begroeiing aan de rand van een zandverstuiving. Ook wel kunstmatig om akkers tegen het stuifzand te beschermen

Reconstructiegebieden: Aangewezen delen van de hogere zandgronden, waarvoor Rijk en provincies strategisch beleid hebben ontwikkeld om problemen als gevolg van de intensieve veeteelt in banen te leiden

Reliëfvolgend afgraven: Het afgraven van grond, waarbij het oorspronkelijke en onderliggende reliëf van geulen en ruggen wordt gevolgd ten behoeve van natuurontwikkeling

Rendzina: In verweringsgrond van een carbonaathoudend gesteente gevormde basische bodem, waarvan het bovenste gedeelte, de A-horizont rijk is aan humus

Restheuvel: Door erosie en denudatie aangetaste vlakte, waarvan nog een heuvel resteert

Rivierduin: Duin opgebouwd uit materiaal, dat door de wind van een in de omgeving aanwezige riviervlakte werd aangevoerd

Rivierterras: Door de rivier verlaten en vervolgens versneden dalbodem. Een rivierterras ligt dus op een enige hoogte boven de huidige rivierbedding en huidige overstromingssvlakte van de rivier.

Ruimte voor rivieren: Plannen voor de aanpak van de hoogwaterproblematiek, waarbij met een integrale aanpak de maatregelen langs de verschillende riviertakken op elkaar afgestemd worden. Rijkswaterstaat werkt hierbij samen met de provincies, waterschappen en gemeentes

Rijping: De veranderingen die de bodem van drooggevallen land ondergaat. Het betreft hier zowel fysische als chemische processen

S

Saalien: De voorlaatste ijstijd of glaciaal, waarbij de landijsuitbreiding in ons land het grootst was en de stuwwallen gevormd werden. Deze periode duurde van 180.000 tot 130.000 jaar BP

Sandr: Waaiervormig dek van materiaal dat is neergelegd door van landijs afkomstige smeltwaterstromen

Schrale grond: Voedselarme grond

Schol: Door vrijwel verticale breukvlakken begrensd deel van de aardkorst. Een schol manifesteert zich soms als een horst (opgeheven) of een slenk (gedaald)

Sediment: Afzetting

Sedimentatie: Het door bewegend ijs, stromend water of de wind achterlaten van los materiaal. Sedimentatie treedt op, als de genoemde media niet meer in staat zijn het materiaal verder te vervoeren, wat bijvoorbeeld weer het geval is als hun snelheid vermindert of ze grotere hoeveelheden puin te verwerken krijgen

Silt: Bodemdeeltjes met een afmeting tussen 2 en 63 µ ; zie leem

Slenk: Laagte begrensd door breukvlakken, ontstaan door beweging langs deze breukvlakken, zoals de Roerdal Slenk

Sloef: Grondsoort met slib, waarin naar verhouding slechts weinig deeltjes voorkomen die kleiner zijn dan 2 µ

Smeltwaterafzetting: Afzetting ontstaan in sneeuw- of ijssmeltwater

Smeltwaterdal: Dal dat zijn ontstaan voornamelijk dankt aan erosie door (van sneeuw of landijs) afkomstig smeltwater en dus grotendeels onder koude klimaatcondities werd gevormd

Smeltwaterrug: Wal die ontstond doordat van landijs afkomstige smeltwaterstromen materiaal afzetten (ås, esker)

Smeltwaterwaaier:

Spoed: Binnen hoeveel tijd moet u saneren? Dit wordt bepaald volgens het saneringscriterium.

Spreng: een gegraven beek en daarom meestal recht, gebruikt voor de aandrijving van watermolens

Staring:, W.C.H. Geoloog en landbouwkundige (1807 – 1877), beschreef als eerste de geologische geschiedenis van Nederland

Strang: Buiten gebruik geraakte, maar in het landschap nog zichtbare rivierloop, vaak nog gevuld met water

Streefwaarde: Onder de streefwaarde is de bodem schoon, hierboven is de bodem licht verontreinigd

Streepduin: Langgerekte duinrug die zijn ontstaan dankt aan het feit dat met de wind meegekomen zand door vegetatie werd vastgehouden en zich uitstrekt in de richting waarheen de voor zijn ontstaan verantwoordelijke wind waaide

Stroomdalgrasland: Hooiland in het dal van de rivier of beek, dat regelmatig bij hoogwater onderloopt

Stroomrug: Wal ontstaan doordat een rivier in en langs haar bedding relatief veel materiaal achterlaat. In een stroomrug zijn veelal twee oeverwallen te onderscheiden, waartussen een al of niet verlaten, dichtgeslibde of verlande rivierbedding wordt gevonden

Stuifzandgebied: Gebied waarin dekzand opnieuw in verstuiving is gegaan. Vooral in de Middeleeuwen, maar ook later, zijn deze gebieden ontstaan door vernietiging van de beschermende begroeiing en bodem

Stuwwal: Heuvelrug die ontstaan is doordat een bewegende ijsmasssa klei, zand- of grindlagen voor zich uit en opzij schoof

Stuwwalboog: Boogvormige rug van stuwwallen die een glaciaal bekken omgrenst

Substraat: Ondergrond

Successie: Opeenvolging van processen

T

Tektoniek: Bewegingen in de aardkorst

Terp: Door de mens vooral omstreeks het begin van onze jaartelling opgeworpen woon- en vluchtheuvels ter bescherming tegen overstromingen

Terras: Zie rivierterras

Tertiair: Geologische periode die duurde van 65 tot 2,5 miljoen jaar geleden

Terugschrijdende erosie: Stroomopwaarts voortschrijdende erosie door stromend water, door afkalving van de rivierbedding

Toetsingswaarden: We gebruiken drie soorten gehalten die aangeven hoe schoon of vies de bodem is.

Tongbekken: Door de stuwende en eroderende werking van een ijslob verwijde laagte, waarvan de oppervlaktevorm en contouren min of meer overeenkomen met die van een tong

Transgressie: Het zich uitbreiden van een watermassa, waarbij vooral wordt gedacht aan een overstroming door de zee

Tuineerdgrond Een kleigrond met een donkere bovengrond dikker dan 50 centimeter, die is opgebracht, opgevaren of opgebaggerd

Tussenwaarde: Deze zit precies tussen de interventiewaarde en streefwaarde in. De bodem is matig verontreinigd, maar het is nog niet duidelijk of er iets moet gebeuren. Er is meer onderzoek nodig.

Tuunwal Onbegroeide wallen van gras- of heideplaggen die ongeveer een meter hoog zijn en als omheining dienen

Typelocaliteit De specifieke plaats waar zich de ijkplaats van een laag of verzameling van aangrenzende lagen bevindt, die erkend worden als een eenheid, of de plaats waar een laag of verzameling lagen oorspronkelijk werd gedefinieerd of haar naam kreeg

U

Uitblazingsgat: Een (meestal) komvormige depressie die ontstaat als de wind op kale plekken zand wegblaast

V

Van der Lijn, P. Pieter van der Lijn (1870 – 1964), zette zich sterk in voor de Nederlandse geologie, speciaal de zwerfsteengeologie en schreef het Keienboek. Zijn naam is verbonden aan de Van-der-Lijn-onderscheiding, bedoeld voor amateur-geologen die een wezenlijke bijdrage hebben geleverd aan de geologie op wetenschappelijk niveau en die niet werkzaam zijn in de geologische sector

Veen: Geheel of grotendeels uit maar nauwelijks vergane, doch enigszins ingekoolde plantenresten opgebouwd gesteente. Veen ontstaat wanneer meer plantenresten worden gevormd dan in dezelfde tijd vergaan. Dit is het geval, wanneer het afval van de vegetatie in een zuurstofarm milieu terechtkomt. We zien dit in rustig water en moerassen. Naar de huidige ligging ten opzichte van de grondwaterspiegel onderscheiden we hoog- en laagveen. Met betrekking tot de botanische samenstelling wordt verder gesproken van mos-, zegge-, riet- en slibhoudend bosveen

Veenterp: Laat middeleeuwse ophoging op de overgang van voormalige veenontginningsgebieden en getijdengebieden ten behoedeve van (semi-)permanente bewoning en gebruik voor diverse funkties (veehouderij, bierbrouwerij, ontginningsbasis). Bepalen in het Noord-Drentse veenweidegebied het (micro-)relief

Ven: Uitgestoven laagte in dekzand, gevuld met grondwater

Verkitting: Aaneenhechting van los materiaal door chemische neerslag van bijvoorbeeld CaCO3 en SiO2 in de poriën

Verlanding: Het verdwijnen van water door veenvorming

Verslagen materiaal: Zie detritus

Vlechtende rivier: Rivier die zich manifesteert als een vlechtwerk van kleine stroompjes

Vorstspleet/vorstwig: Een in ieder koud seizoen terugkerende scheur in de bevroren bodem, die het gevolg is van krimp bij een snelle temperatuurdaling beneden het vriespunt van ongeveer 20° C. Deze spleet, hier ontstaan in de ijstijd, wordt thans fossiel aangetroffen opgevuld met ingewaaid of ingespoeld materiaal

Vroeg- en Midden-Pleistoceen: Periode vanaf het begin van het Pleistoceen tot en met het Saalien

Vuursteeneluvium: Verweringsresidu van vuursteenhoudende kalksteen of mergel. Het residu bestaat voornamelijk uit vuursteenbrokken. Een kalkloos gesteente dat ontstaan is bij de verwering van kalksteen en dat bestaat uit een mengsel van leem, zand, vuursteen en resten van tertiaire afzettingen

W

Warven: Dunne laagjes in fluvioglaciale afzettingen, die successievelijk afwisselend 's zomers en 's winters werden gevormd

Waterscheiding: Grens tussen twee stroomgebieden, dit kan voor grondwater een andere zijn dan voor oppervlaktewater

Weichselien: Koude periode (120.000 – 10.000 jaar BP) die onderdeel vormt van het Pleistoceen. Het is tevens de laatste ijstijd tot nu toe. Het landijs bereikte Nederland niet, er heerste hier een poolklimaat vergelijkbaar met dat in de huidige toendragebieden

Windkanters: Stenen die door de schurende werking van stuivend zand zijn afgevlakt en facetten vertonen; ontstaan in het Weichselien. Soms hebben ze wel 2 of 3 facetten, resp. tweekanters en driekanters

Woudeerdgrond: Een kleigrond met een dikke zeer donkere bovengrond, op een stevige ondergrond. De donkere bovengrond is een overblijfsel van een voormalige veenbedekking

Wijst(gronden): Een natte meestal venige bodem gelegen op het hoge deel van de rand van een breuk

IJ

IJskernheuvel: Zie pingo

IJslob: Tongvormige massa landijs

IJssmeltwaterheuvel: Zie kame

IJssmeltwaterterras: Zie kameterras

IJssmeltwaterrug: Zie esker

IJssmeltwaterwaaier: Zie sandr

IJstong: Zie ijslob

IJsstroom: ‘Rivier’ van ijs binnen een landijskap die sneller stroomt dan het er om heen liggende ijs

IJstijd: Een relatief koude periode in de geologische geschiedenis, waarin ijskappen en gletsjers zich uitbreiden en de zeespiegel verlaagd wordt als gevolg van de opslag van water in de landijskappen. Gedurende het Kwartair h eeft een voortdurende afwisseling plaatsgevonden van ijstijden (glacialen) en tussenijstijden (interglacialen)

Z

Zandbank: In een rivier of zee, door afzetting van zand ontstane langgerekte rug

Zavel: Grondsoort die bestaat uit een mengsel van klei, silt en fijn zand.

Zoutdome: Zie zoutkoepel

Zoutkoepel: Cylindrisch of paddestoelvormig zoutlichaam, dat opgeperst is

Zwerfsteen: Door landijs, gletsjers of ijsschotsen aangebrachte steen

*Bron: de Aarde bewogen/ Nota Landijs, gewijzigd