Meten aan bodemverdichting


Bij het bepalen van de bodemvruchtbaarheid wordt vaak alle gekeken naar de chemische gesteldheid van de bodem. Te weinig wordt stil gestaan bij de effecten die het bodemleven(biologie) en de fysische kant van de bodem hebben op de bodemvruchtbaarheid. Bij de fysische kant horen onder andere de structuur, porositeit en doorlatendheid van de bodem. In tegenstelling tot bodemchemie is bij weinigen bekend over hoe het is gesteld met bodemleven en de aanwezige bodemstructuur. Verschillende landbouwonderwijsinstellingen aan dat er meer aandacht en verdieping gewenst is op het onderwerp bodem in het curriculum. Aequator Groen & Ruimte en Van Hall Larenstein zijn binnen dit project een samenwerking aangegaan om gegevens te verzamelen over bodemverdichting en inzicht te krijgen in de mate van bodemverdichting in de landbouw. Studenten zijn direct betrokken bij het project en voeren de meeste handelingen onder deskundige begeleiding uit.

Doel

Het verzamelen van gegevens over bodemverdichting en het opzetten van een databestand wat inzicht geeft in de mate van bodemverdichting op landbouwgronden in de provincies Friesland, Groningen en Drenthe.
Toegevoegd aan de doelstelling van het project in 2017:
Meer aandacht creëren voor bodemverdichting (bewustwording) en mogelijke oplossingen aan dragen (handelingsperspectief).

Inhoud

Per jaar wordt bij een 20-tal bedrijven onderzoek gedaan op 2 percelen van gemiddelde kwaliteit per deelnemer. Om per deelnemer de bodemverdichting te meten wordt met ringmonsters en met een penetrologger in verschillende lagen de bodemdichtheid en de weerstand van de bodem gemeten. Ook worden aanvullende bodemgegevens (bijvoorbeeld: pH, organisch stofgehalte, lutumgehalte en grondsoort) over het bemonsterde perceel verzameld. Om de metingen te kunnen koppelen aan het management van de agrariër wordt een vragenlijst afgenomen bij de deelnemende agrariër.

Alle metingen worden verzameld in een dataset waarop vervolgens analyses worden uitgevoerd om inzicht te krijgen in de mate van bodemverdichting, gekoppeld aan agrarisch gebruik.

In 2016 zijn bij 10 melkveehouderijen (op het Drentsche Plateau op de zandgronden) en bij 10 akkerbouwbedrijven (op de Groningse en Friese kleigronden) metingen verricht. Na de analyse bleek dat bij de melkveehouderijen sprake is van een matige bodemverdichting en bij 9 van de 10 akkerbouwbedrijven sprake is van sterke bodemverdichting. Deze resultaten hebben aanleiding gevormd om meer metingen te gaan verrichten in 2017.

Looptijd

Januari 2016 tot en met december 2017.