Ontstaan van de Hondsrug en het Drentsche Aa gebied

Voor een goed gevulde zaal bij de Drents Prehistorische Vereniging hield Enno Bregman op 14 februari 2017 een lezing over de ontstaansgeschiedenis van de Hondsrug. De geschiedenis is niet zo eenduidig en eenvoudig als lang werd aangenomen. Integendeel; de Hondsrug heeft een unieke ontstaansgeschiedenis en daarom is dit gebied dan ook Europees Geopark geworden en heeft het een UNESCO-status gekregen.

IMG_2376

Inleiding

Zeker drie ijstijden zijn van invloed geweest op de landschapsontwikkeling van Drenthe.

Gebeurtenissen in de voorlaatste (Saale-) IJstijd hebben evenwel het grootste stempel gezet op het landschap zoals wij dat nu kennen. Drenthe dankt namelijk zijn karakteristieke twee deling van ruggen en beekdalen met een NO – ZW en een NNO-ZZW richting aan de invloed van verschillende landijs bewegingen uit de Saale IJstijd, zo’n 200.000-130.000 jaar geleden.

Afbeelding1

Als we vanuit de ruimte met behulp van satelliet beelden naar Drenthe kijken dan valt die tweedeling direct op. De meest oostelijke NNW-ZZO lopende rug is de Hondsrug. Met behulp van diezelfde satelliet beelden zien we ook evenwijdig aan de Hondsrug nog een paar ruggen: de Slener- en de Rolderrug en een aantal ruggen met een zelfde richting in Noord Drenthe (ruggen van Tynaarlo en Zeijen). Bij nader inzien blijkt ook de Hondsrug zelf weer te bestaan uit een aantal afzonderlijke ruggen.

De Hondsrug is ruim70 km lang en neemt in ZZW richting in hoogte toe, van ca. 5 m. boven NAP bij de stad Groningen tot 20 m. boven NAP bij Emmen. De breedte van de Hondsrug bedraagt ca. 3-4 km. Op een plaats, bij Borger, wordt de Hondsrug doorsneden door de nu gekanaliseerde bovenloop van de rivier de Hunze. Dit doorsnijding heet het Voorste Diep.

Aan de oostzijde wordt de Hondsrug begrensd door het Hunzedal, een beekdal dat in de Saale IJstijd gevormd is, door smeltwater wat in noordelijke richting smeltwater afvoerde vanuit het zuidelijker gelegen gebied van het Bekken van Münster. Door erosie kwam de dalbodem steeds lager te liggen tot ca. 50 m onder het NAP.

Ook in de ijstijd, die vooraf ging aan de Saale IJstijd, de Elster IJstijd, bestond het Hunzedal al. We weten dit omdat er uit die tijd ook afzettingen in het Hunzedal voorkomen. Het Hunzedal is steeds meer opgevuld met voornamelijk zandige afzettingen. Vanaf circa 10.000 jaar geleden is er, ten gevolge van steeds hogere grondwaterstanden veen gevormd in het Hunzedal. Het meeste veen is nu weer afgegraven voor brandstofvoorziening. Het huidige hoogte verschil tussen de top van de Hondsrug en het Hunzedal is daarom op dit moment ca. 8 meter.

Vanaf de Hondsrug neemt de hoogte van het huidige Drentse landschap in zowel de noordwestelijke als zuidwestelijke richting geleidelijk af. Deze geleidelijke afname in hoogte markeert de geologische overgang naar gebied dat in de geologische tijd mede tengevolge van rivierafzettingen daalde. In de Noord Nederlandse ondergrond komen afzettingen voor van rivieren die uit het oosten kwamen, maar ook van de Rijn en in mindere mate van de Maas. Op sommige plaatsen komen deze afzettingen die dus ouder zijn dan de afzettingen uit de Saale tijd aan of nabij het aardoppervlak voor. Het gaat vooral om zanden en potklei uit de Elstertijd , die we nu aantreffen in Noord Drenthe en ten westen van de Hondsrug en om rivierzanden die in het Tertiair gevormd zijn en die onder meer voorkomen bij Schoonlo.

Dat de afzettingen ten westen van de Hondsrug en ten zuiden van Buinen aan of dicht aan het oppervlak tegenkomen heeft vermoedelijk twee oorzaken: enerzijds wordt dat veroorzaakt door het omhoogkomen van zoutformaties in de ondergrond, wat erosie tot gevolg heeft; anderzijds speelt erosie ten gevolge van de beweging van landijs ook een rol. In het vervolg komt dit nog uitgebreider aan de orde.

Unieke landschapsvorm

Het meest opmerkelijke is in de inleiding genoemde tweedeling van de landschappelijke hoofdstructuur van Drenthe en de uitzonderlijk rechte lijn van de Hondsrug en de andere ruggen. Nergens anders in Europa komen we een dergelijke grootschalige lineaire landschapsvorm tegen. Dat er daarbij m.b.t. de Hondsrug sprake is van een glaciale oorzaak is wel duidelijk., onder meer als we naar het voorkomen van keileem kijken.

Buiten Europa, met name in Noord Amerika, zijn grootschalige lineaire glaciale afzettingen wel bekend geworden uit onderzoek van satelliet beelden. Maar ook uit Scandinavië zijn landschapspatronen bekend te maken hebben met ijsbewegingen. Maar uit de beschrijvingen van de landschapsvormen die zowel in Noord Amerika als in Scandinavië worden aangetroffen blijkt dat het steeds om andere vormen gaat of dat er sprake is van een andere ondergrond. Het meest komt de opbouw van de Hondsrug overeen met beschrijvingen van gootschalige landschapsvormen die door landijs gevormd zijn (megaflutes) in Noord Amerika.

Ontstaan

In de achterliggende ruim honderd jaar zijn er in wetenschappelijke discussies voortdurend twee kwesties naar voren gekomen als het gaat over het ontstaan van de Hondsrug:

  1. Allereerst de vraag naar de glaciale ontstaanswijze van de Hondrug
  2. Ten tweede de vraag of er uitsluitend sprake is van een glaciale oorzaak of is er ook sprake de invloed van breuken in de ondergrond en dus van tektonische oorzaken?

Glaciale geschiedenis van de Hondsrug

Eigenlijk weten we pas sinds het begin van de 19e eeuw dat landijs een deel van Europa bedekt heeft. En pas aan het eind van die eeuw gaan wetenschappers op zoek naar de grens tot waar het landijs zich uitstrekte, waar het landijs gelegen heeft, hoe ijsstromen zich verplaatsten, waar de brongebieden lagen en wat de betekenis is van verschillen in keileem.

De Hondsrug komen we in de literatuur vanaf ca. 1880 regelmatig tegen en in 1902 verschijnt van prof. Eug. Dubois de eerste wetenschappelijke verhandeling over de Hondsrug: “ The geological structure of the Hondsrug in Drenthe and the origine of that ridge”. Na het verschijnen van de hypothese van prof. Dubois ontstaat er tussen hem en dr. H.G.Jonker een hevige discussie. Jonker is de mening toegedaan, dat de Hondsrug door stuwing vanuit het NO ontstaan is.

Er zijn redenen om aan te nemen dat beide wetenschappers gelijk hebben. Rappol (1983) heeft op grond van drukrichtingen in de keileem bij Emmen aan kunnen tonen dat beide richtingen voorkomen: dus zowel de NNW-ZZO als de NO-ZW richting. Een opvatting, als zouden glaciale vormen in Nederland het gevolg zijn van verschillen fasen in terugschrijding van het landijs, wordt nu niet meer houdbaar geacht, maar komen we nog veel tegen in bijvoorbeeld schoolboeken en in de(sterk verouderde) beschrijvingen van diverse Geologische kaartbladen.

Nog afgezien van de vraag of er sprake is een of meerdere ijstijden, komt de verklaring over het ontstaan van de Hondsrug van prof. Dubois opmerkelijk genoeg bijna tachtig jaar later nagenoeg overeenkomt met een verklaring van de onderzoekers Beets en van den Berg (1987) en Rappol (1991). Zij veronderstellen die allereerst uit het NO kwam en later van richting veranderde.

Deze ijsstroom, die uit het NNW komt heeft de Hondsrug gevormd. Door een blokkade van de Scandinavische ijsstroom uit het NO door landijs uit Schotland buigt deze om naar ZZO richting en vormt uiteindelijk zo de Hondsrug. Deze conclusie wordt ook getrokken uit recent uitgevoerd kleimineralogisch onderzoek door Bregman en Lüse (Universiteit van Letland) . De invloed van een NO stuwingsrichting volgt ook uit hydrologisch modelonderzoek en een paleo reconstructie van ijstromen in Midden en ZW Drenthe.

De gevolgen van de laatste ZZO gerichte ijsuitbreiding zijn zichtbaar geworden in glaciale stuwingsverschijnselen op meerdere plaatsen op de Hondsrug, o.a. bij de verdiepte aanleg van de van de N33 en N34 bij Borger, het Koning Willem Alexanderkanaal in ZO Drenthe en recent bij de aanleg van een rotonde bij Exloo.

Reconstructie van ijsstromen

In het algemeen wordt nu dus aangenomen, dat er in de Saale IJstijd sprake is geweest van een uitbreiding in meerdere fasen. De Hondsrug bestaat in feite bestaat uit een ondergrond die samenhangt met een ouder glaciaal landschap, met NO-ZW ruggen waarop relatief jongere (keileem) afzettingen liggen uit de laatste fase van de Saale ijstijd, waar landijs niet meer uitbreidde maar waar juist aan de ijsrand ijsstromen ontstonden, zoals de ijsstroom die de Hondsrug vormde.

IMG_2374

De ligging van de ijsstroom die in Nederland de Hondsrug schiep. Voor de richting van de ijsstroom, overwegend zuidzuidoost, lijken breukvelden in de diepe ondergrond (rode lijntjes) medebepaldend te zijn geweest.

Het idee dat een groot massief ijsfront vanuit Scandinavië uiteindelijk ook Nederland tot aan de Veluwe bereikte is dus niet juist. Meerdere ijsstromen met verschillende stromingsrichtingen hebben hun sporen achter gelaten in Nederland en NW Duitsland. Op zich was dat al lang bekend, nieuw is wel dat nu op grond van satelliet beelden en kennis van (bestaande) veelal locale studies een reconstructie gemaakt is. Dat overzicht is voor Nederland en NW Duitsland opgesteld en geeft nu een mooi overzicht.

Niet alleen van de tijd van uitbreiding van het ijs, maar ook van de periode waarin het ijs afsmolt en enorme hoeveelheden water afgevoerd werden naar randmeren, zoals het gebied waar later de Noordzee gevormd is. De reconstructie (“glaciatie” model) maakt onder meer duidelijk dat het Drentsche Aa gebied en de Hondsrug gevormd zijn tijdens de fase waarin het landijs al heel hard aan het afsmelten was.

Geologische opbouw van de Hondsrug

De vorming van de ruggen, zoals de Hondsrug en de Rolderrug kan verklaard worden uit sterke erosie door smeltwater onder het ijs. In het noordelijk deel van de Hondsrug is door smeltwater de keileem vrijwel volledig verdwenen. Die situatie is geheel anders dan in het gebied tussen Gieten en Borger. Daar ondervond het smeltwater op grote diepte weerstand van de in de ondergrond aanwezige opduikingen van zout, van de zoutrug bij Hooghalen en de zoutkoepels van Schoonlo en Gasselte.

Het grondwater kreeg daardoor een vertikale stromingsrichting waardoor daar smeltwater zelfs dwars door de keileem heenbrak en keileemlagen volledig op zijn kop zette. Door smeltwater zijn ook later weer onder het ijs opgevulde erosiegeulen ontstaan. Bij Borger zijn door wrijving onder het ijs de Elster afzettingen scheefgesteld.

Tussen het gebied van Exloo – Emmen zijn de eerdere in SW richting scheefgestelde lagen niet door de Hondsrug ijsstroom met de NNW-ZZO richting niet verstoord. Of de ondergrond was bevroren (permafrost) of de druk van het smeltwater was onder het ijs zo hoog, dat het zwaarder was dan het gewicht daarvan. Hierdoor kon het ijs als het ware gaan “drijven”en kon het ook sneller stromen.

Ten zuiden van Emmen bij Klazinaveen is op de Elster afzettingen keileem afgezet, wat vermoedelijk gevormd is door afsmelting, waardoor het keileem vooral horizontaal afgezet is. Door cryoturbatie, vriezen en dooien zijn de bovenste lagen wel sterk vervormd en vormt het grillige patronen.

In Noord Drenthe heeft de Hondsrug - ijsstroom door hogere bodemtemperaturen geleid tot meer smelt aan de onderkant van de ijsstroom. Dat smeltwater met zand, grind en stenen kon tussen doodijs-massa’s, alleen afgevoerd worden in de ZZO- richting naar het Bekken van Münster in Duitsland. Dat verklaard waarom in Noord Drenthe oudere afzettingen uit de Elster-ijstijd (ca. 450.000 jaar geleden) aan het oppervlak liggen in tegenstelling tot het zuidelijk deel van de Hondsrug, waar de keileem veel dikker is afgezet.

Bodembeweging

In de 60-er jaren van de vorige eeuw ontspon zich wederom tussen twee wetenschappers, de districtsgeoloog van de RGD, drs TerWee en vooral ook prof. J.I.S. Zonneveld, niet alleen een discussie over het ontstaan van glaciale vormen ten gevolgde van uitbreiding dan wel terugschrijding van het landijs, maar ook over al dan niet tectonische oorzaken van het ontstaan van Hondsrug.

Met name de zogenaamde Hercynische richting van de Hondsrug en de rechte begrenzing van de Hondrug en het Hunzedal, geven daartoe aanleiding.

Hoewel een directe relatie niet aangetoond kan worden tussen breuken in de ondergrond is er wel een opmerkelijk verband tussen de ligging van breuksystemen die parallel aan de Hondsrug bij de rug van Sleen, het Voorste Diep en het Hunzedal voorkomen in de basis van de Tertiaire formaties.

Recent onderzoek heeft hierover in positieve zin wel meer inzicht gegeven over een verband tussen de diepere ondergrond, de invloed van glaciaties en verschijnslen aan of nabij het aardoppervlak. Dat kan als volgt worden uitgelegd:

Voor een ijsfront aan wordt de aardkorst enorm naar beneden gedrukt, en voor dat front komt het aardoppervlakte weer omhoog. Met een duur woord heet dat glacio-isostasie. Het gevolg van glacio-isostasie is dat delen van de aardkorst waar al breuken in voorkomen of die zwakker en meer beweeglijker zijn in beweging komen. Na het afsmelten herstelt het glacio-isostatische evenwicht zich weer.

Uit het onderzoek is gebleken dat dat ook in Drenthe heeft plaatsgevonden en dat delen van Drenthe na het verdwijnen van het landijs, tot na de Weischel ijstijd toch nog bewogen is. Delen van de waterscheiding in Drenthe van Hooghalen, naar Schoonlo en Gasselte zijn gemiddeld zo’n 2 meter omhooggekomen.

Dat komt door zout in de ondergrond, dat weer langzaam terugveert. Dit voorbeeld maakt duidelijk dat zoutruggen en –koepels niet zo stabiel zijn als het wel lijkt. Want wie merkt nu, dat dat gebied zo’n 0,02 mm per jaar omhoog gekomen is? Het lijkt heel weinig, maar op geologische schaal is het best veel en heeft het zijn sporen nagelaten.

Allereerst is het waterscheidingsgebied hierdoor in elk geval een beetje ? verdroogd. Ten tweede heeft het ertoe geleid dat de bovenloop van de Drentsche Aa zo’n 800 meter noordelijker is komen te liggen. Dit heeft ook gevolgen (gehad) voor de stromingsrichting van het grondwater. Die was tijdens de ijsbedekking in de Saale ijstijd juist andersom dan nu het geval is en is dat, in het gebied waar de bovenloop van de Drentsche Aa onthoofd is, nu ook.

Voor de huidige grondwaterstroming blijken diepe geulen die onder het ijs gevormd zijn in een nog oudere ijstijd (Elster ijstijd, ca. 450.000 jr geleden) ook bijzonder te zijn. Niet alleen komen in die geulen enorme hoeveelheden zoetdrinkwater voor, ze zijn ook in ecologisch opzicht van betekenis. Door o.a. samenwerking met de Vrije Universiteit van Berlijn en de Rijksuniversiteit van Groningen is aangetoond, dat in een gebied waar zoutkoepels dicht aan het aardoppervlak voorkomen (zoals het geval is in de Drentsche Aa) door goede geleiding van diepe aardwarmte door zoutlagen, menging van zout en zoet grondwater optreedt.

Op specifieke plaatsen, in bijzonder boven de diepe geulen uit de Elster-ijstijd en vrijwel boven de zoutkoepels van onder meer Schoonlo en Gasselte,  welt dit water op met een chemisch net wat andere samenstelling en een iets hogere temperatuur dan de omliggende gebieden. Metingen van de temperatuur van het grondwater in het Drentsche Aa gebied tonen dat ook aan. Ook blijkt dat waar in de diepere ondergrond breuken voorkomen vooral boven  zoutkoepels  diepe kwel sterker is en ook daar bijzondere plantensoorten voorkomen. Ook kan door differentiële bodembeweging er een verband worden aangetoond tussen het huidige beeklopen patroon. Dit duidt op Laatglaciale – Vroeg Holocene bodembeweging.

Toepassing van nieuwe inzichten en vervolg-onderzoek

Door beter inzicht in het mechanisme van de diepere grondwaterstroming, en de invloed van landijsbedekking op de ondergrond (o.a.glaciale geulen, voorkomen potklei en keileem; invloed van zogenaamde differentiële bodembeweging) kan de herkomst van het grondwater en verschillen in kwaliteit maar ook het voorkomen van kwelgebieden beter verklaard worden.

Hierdoor kan ook het beheer van een gebied als de Drentsche Aa en andere gebieden zoals het Voorste Diep beter onderbouwd worden. De conclusie dat zo ongeveer boven op de waterscheiding kwel voorkomt met bicarbonaat rijk wat wijst op “diep” grondwater biedt mogelijkheden om daar in de toekomst meer rekening te houden wat bijdraagt aan duurzaamheid.

Duidelijk is dat de diepe grondwaterstroming in het Drentsche Aa gebied resultante is van heel subtiele processen (menging van water met verschillende dichtheden; menging van zout en zoet water onder invloed van warmte afkomstig van zoutkoepels), wat tot plaatselijke verschillen in kweldruk, waterkwaliteit en – temperatuur leidt. Een van de vragen nu is wat de invloed van de opslag van Warmte en Koude (WKO) is op het (nu nog heel) natuurlijke grondwaterregime van de Drentsche Aa.

Meer kennis hiervan en van andere zaken zoals invloed van drinkwaterwinning is ook relevant voor andere gebieden in Noord Nederland en Europa met een zelfde geologische ondergrond als het Drentsche Aa gebied.

De vormenwereld van de Hondsrug

De hoofdstructuur van de Hondsrug, die glaciaal bepaald is, omvat tal van kleinere landschapselementen die vooral gevormd zijn in de laatste ijstijd of door invloed van de mens gevormd zijn. Zonder volledig te willen zijn, volgt hieronder een korte beschrijving van de meest opmerkelijke terreinvormen.

In de laatste ijstijd, de Weichsel IJstijd, bereikte het landijs ons land niet. Wel was er toe sprake van een toendra klimaat, waarbij onder periglaciale omstandigheden specifieke terreinvormen ontstaan zijn, die alleen in een dergelijk klimaat gevormd kunnen worden.

Het betreft onder meer: pingo’s, waarvan er op de Hondsrug verschillende typen voorkomen. Namelijk met en zonder opvulling met veenbodems.

Na de Saale IJstijd zijn zogenaamde dekzanden afgezet. Deze zanden zijn voornamelijk uit de directe omgeving afkomstig en kennen ingewikkelde sedimentatiestructuren. Deze structuren zijn eigenlijk pas recent goed zichtbaar geworden op basis van satelliet beelden (via het Algemeen Hoogtebestand Nederland). Een groot deel van de bossen zijn aangeplant op deze dekzanden, die deels weer zijn overstoven door stuifzand.

Stuifzanden, zoals het Drouwenerzand,  zijn sterk antropogeen beïnvloed, t.g.v. overbeweiding. In het algemeen gesteld is op de Hondsrug de kans op verstuiving van de huidige akkerbouwgebieden relatief groot, omdat het organisische stofgehalte, zoals bij Drouwen ver beneden kritische grenswaarden ligt (Alterra, 2007).

Aan de oostflank van de Hondsrug komen zogenaamde droogdalen voor. Opmerkelijk is dat de richting van deze dalen, die met een puinwaaier in het Hunzedal eindigen, ook NO-ZW verloopt. De dalboveneinden hebben hun sterkste uitbreiding in zuidelijke richting evenwijdig aan de Hondsrug.

Met betrekking tot invloed van de mens op de vormenwereld wordt onder meer gedoeld op de essen.

Betekenis van de Hondsrug voor andere functies

De in geologisch opzicht bijzondere ontstaanswijze van de Hondsrug komt ook tot uitdrukking in de bodemgesteldheid, archeologie en cultuurhistorie, vegetatie en waterhuishouding

- bodemgesteldheid, archeologie en cultuurhistorie

Het voorkomen van bodems, die geclassififeerd worden als moderpodzolen (Ned. Bodemclassificatie), is sterk gerelateerd aan het voorkomen van (verweerde) keileem uit de laatste Landijsfase die Drenthe bedekt heeft (figuur….).

Moderpodzolen zijn in het algemeen goed geaereerde bodems en als ze gevormd zijn op (verweerde) keileem dan zijn het relatief rijke bodems. Oorspronkelijk, voordat de mens zich definitief vestigde op de Hondsrug waren het gebieden met relatief rijke bossen. Na ontginning van deze bossen werden deze gebieden dan ook gebruikt voor landbouw-

doeleinden en zijn hier in het algemeen waardevolle essen ontstaan. Uitbreiding van bebouwing wordt in het vigerende Provinciale Omgevingsbeleid in het algemeen, en daarmee ook op de Hondsrug niet toegestaan. Dit om de waardevolle essen en de meest gave delen van het esdorpenlandschap in stand te houden.

- vegetatie en hydrologie

Waar keileem ondiep voorkomt, al dan niet verweerd, worden vaak specifieke plantensoorten aangetroffen. Voorbeeld daarvan zijn Pimpinella saxifraga, Kleine Pimpernel en Viola Riviniana, Bleeksporig bosviooltje. Kleine Pimernel komt in Drenthe alleen op de Hondsrug voor. Het bosviooltje komt voor op verweerde keileem.

Heel opmerkelijk komt dit viooltje vooral op de Hondsrug en in Noord Drenthe voor en valt het verspreidingsgebied nagenoeg geheel samen met het voorkomen van keileem uit de laatste Saale Landijs bedekking  met keileem uit ZW Finland.

Kennelijk is er een verband met de samenstelling van deze keileem of verweringsproducten daarvan en het voorkomen van het bosviooltje. Mogelijk speelt hierbij ook nog een andere factor een rol, wat zijn invloed heeft op het voorkomen van specifieke plantesoorten op de Hondsrug.

Uit het recent uitgevoerde kleimineralen onderzoek komt namelijk ook naar voren dat het onderste keileemtype afgezet is onder invloed van zout grondwater. Daarop duiden bepaalde mineralen die gedecteerd zijn via röntgendiffractie (XRD). Het gaat om mineralen als Haliet en Syngenite.

Op grond van model-studies van prof. Piotrowski in onder meer Polen is duidelijk geworden dat de invloed van landijs op grondwaterstromen, zowel voor het ijsfront aan als onder het ijs groot is. Voor het ijsfront aan kan tot 40 km het grondwater beïnvloed zijn tot een diepte van wel 200 meter. Voor het ijsfront aan wordt diep grondwater omhoog gestuwd.

Uitgaande van de huidige diepteligging van het grensvlak tussen zout en zoet grondwater van 80 meter onder NAP (DINO, bij Emmen), lijkt de aanwezigheid van zoutgrondwater aan het oppervlak aannemelijk. Mogelijk is er ook sprake van diffusie van zout en zoet grondwater uit de omgeving van zoutdomes en mariene afzettingen (Formatie van Breda).

Waar in het Geopark, zoals in het Drentsche Aa gebied sprake is geweest van bodembeweging, heeft dit invloed op het beekpatroon en de grondwaterstroming. Bij opschuivingen, die in de ondergrond op grond van seismische beelden zichtbaar gemaakt kunnen worden komen vaak kwelgebieden voor met bicarbonaat rijk grondwater. Dit laatste duidt op grondwater dat van grote diepte komt: diep grondwater. Hier blijkt ook een sterke samenhang met het grootste voorkomen van de dotterbloem (met een bedekkingsgraad meer dan 60%).

De relatie geologie – hydrologie is ook om een aantal andere redenen van bijzondere betekenis op de Hondsrug en omgeving. Natuurlijk is er sprake van inzijging van regenwater en vormt de Hondsrug dus een intrek gebied. Aan weerszijden van de Hondsrug treedt dit grondwater weer naar buiten in kwelgebieden en is het grondwater van betekenis voor natuur- en landbouwgebieden.

Invloed van mensen

Zeker na de vroege middeleeuwen heeft de mens op het gebied zijn sporen nagelaten. De geologische opbouw en vormenwereld van de Hondsrug en het gebied van de Drentsche Aa is de basis van het huidige het landschap waar de mens handig gebruik van gemaakt heeft.

Grote delen daarvan zijn bewaard gebleven en is het typische Drentse esdorpenlandschap nog herkenbaar: de boerderijen rond de brink, de akkers op de hoge essen, de hooilanden en weilanden in het beekdal.

De bijzondere cultuurhistorische betekenis van het Hondsrug gebied en van de  Drentsche Aa blijkt uit de vele hunebedden, ‘Celtic Fields’, grafheuvels (‘Tumulibos’), galgenbergen, karresporen (luchtfoto Ballooërveld), essen, veldnamen, voorden en het archeologisch reservaat De Strubben – Kniphorstbosch (‘Randstad van de prehistorie’).

En zeker voor het Drentsche Aa gebied geldt dat er nog steeds sprake is van sterke samenhang met de diepere ondergrond en het natuurlijke grondwatersysteem. Niet voor niets maken beide gebieden onderdeel uit van het Unesco Geopark de Hondsrug.

DPV lezing Enno Bregman 14-2-2017